Bijdrage Staten­ver­ga­dering Fauna­be­heerplan Ree 2021 - 2025


15 december 2021

Voorzitter,

In de Beleidsnotitie Flora en Fauna 2018 van de provincie Groningen wordt expliciet aangegeven dat het reeënbeheer op basis van aantallen wordt losgelaten. Er zou alleen nog ontheffing kunnen worden verleend voor het doden van reeën als zou worden aangetoond dat er een verband is tussen de afschot van reeën en een vermindering van het aantal aanrijdingen. Eerder dit jaar heeft de rechter uitgesproken dat dit oorzakelijk verband niet aangetoond is en dat de provincie ook niet heeft aangetoond dat de door haar verleende opdracht past binnen het eigen beleid. Het doden van reeën betreft immers een uiterst middel. Er is volgens de rechter geen directe relatie aangetoond tussen afschot en verkeersveiligheid. Ook had het college aannemelijk moeten maken dat beschikbare alternatieve maatregelen in Groningen niet of onvoldoende effectief zijn.

De praktijk wijst óók uit dat de relatie simpelweg niet bestaat. Ik geef twee voorbeelden:

Ten eerste: in het nu gepresenteerde Faunabeheerplan staat dat in gebieden zoals het Noordelijk Westerkwartier bijna geen reeën zijn geschoten, maar dat de dierstand gelijk blijft (circa 100), evenals het aantal aanrijdingen (6 per jaar)

Ten tweede: in 2016 zijn in de provincie Groningen slechts 87 geiten en geitkalveren geschoten, - in tegenstelling tot andere jaren -, waarin gemiddeld 500 geiten geschoten werden. Van enig effect daarvan in het jaar 2017 op de omvang van de populatie was geen sprake. Met andere woorden; het minder doden van reeën leidt niet tot stijging van de populatie.

Dit jaar zijn er ook geen reeën geschoten door de geschorste opdracht. Dat heeft tot nu toe niet tot meer aanrijdingen geleid dan in andere jaren.

Voorzitter, een belangrijk criterium voor goed overheidsbeleid is dat dit doeltreffend moet zijn. Dus zinvol, waarbij het beoogde resultaat wordt behaald. Als hierover vooraf niet voldoende zekerheid is en het niet op basis van feiten kan worden onderbouwd dan is er maar één logische conclusie, namelijk: níet mee doorgaan.

Het doden van reeën is hiervan een treffend voorbeeld. Immers:

  • In de beleidsnotitie wordt gesteld dat beheer van reeën slechts wordt toegestaan ‘in het belang van de verkeersveiligheid’;
  • Maar… in het Faunabeheerplan[1] zelf wordt gesteld, dat afschieten geen aantoonbaar effect heeft op de dichtheid en op het aantal aanrijdingen;
  • Tot op heden is dus niet aangetoond dat afschot bijdraagt aan de verkeersveiligheid;
  • De logische conclusie is dus dat op basis van dit Faunabeheerplan geen opdracht kan worden verleend om opnieuw honderden dieren te doden.

Voorzitter, de FBE geeft in dit plan notabene zelf toe dat afschot geen aantoonbaar effect heeft op de dichtheid c.q. het aantal aanrijdingen, maar tóch vragen ze GS om een ontheffing. Alleen heet het dan nu niet meer ‘populatiebeheer’, maar ‘onderzoek’! Het schieten moet duidelijk doorgaan. Stel je toch voor dat je als jager niet mag doden!!

Is het correct dat GS het FBP gaat goedkeuren, maar nog wacht met het verlenen van de ontheffing totdat de FBE de uitgewerkte onderzoeksopzet heeft aangeleverd? En kan de gedeputeerde toezeggen dat hij deze opzet met ons deelt? Het onderzoek zal grofweg bestaan uit - hier en daar - meer of minder - te gaan schieten en dan te kijken welk effect dit heeft. Maar dit is geen goede onderzoeksopzet: een zuiver beeld wordt alleen verkregen door langjarig te stoppen met doden en dat te vergelijken met de situatie van de jaren waarin wel werd geschoten. Waarbij een transparante registratie van de populatieontwikkeling en het aantal aanrijdingen noodzakelijk is. Het onderzoek dat de FBE voorstelt is per definitie al vervuild, want het jagen zal doorgaan. Daarnaast, voorzitter, moet men zich afvragen of de FBE wel de aangewezen partij is om een onderzoeksvoorstel uit te werken? Moet daar niet tenminste ook een ‘neutraal’ onderzoeksbureau bij worden betrokken? Voorzitter, de PvdD wil een veldproef, gebaseerd op het juist niet doden van reeën. En daarom de motie 'Veldproef geen reeën doden.

Voorzitter, wij kunnen ons absoluut niet vinden in de intensivering van het afschot binnen 1,5 kilometer van ‘verhoogd risico wegen’. Er wordt een risicozone ingesteld, waarbinnen, vanuit het voorzorgsbeginsel een relatief groot gedeelte, en bij voorkeur het totaal van het afschot wordt gerealiseerd. Voorzitter, deze redenering is werkelijk te gek voor woorden. Dit is niet hoe het voorzorgsbeginsel bedoeld is. Er is namelijk geen enkel wetenschappelijke basis voor de maatregelen, de potentiële gevolgen voor de verkeersveiligheid bij niet schieten berusten slechts op aannames.

Voorzitter, GS staat op het punt goedkeuring te verlenen voor een openbare schiettent op reeën, waarbij er bewust op aangestuurd wordt om in die zones honderden dieren te doden, met het labeltje ‘onderzoek’ erop geplakt! Reeën zullen blijven migreren, … nieuwe dieren zullen de plaats van dode dieren innemen… , de jagers kunnen fijn blijven schieten, waarmee ze de dieren juist de wegen over jagen…. Kortom, nog steeds en misschien wel meer dan voorheen zullen er reeën voor de wielen van auto’s belanden.

Voorzitter, waar is de aandacht voor de werkelijke oorzaak van het probleem? Wildaanrijdingen zijn vooral het gevolg van menselijk gedrag, namelijk te hard rijden op plaatsen waar de natuurlijke omgeving dit niet toestaat. De verandering moet van ons komen, mensen moeten bereid zijn de natuur meer de ruimte geven en meer respect te tonen, door voorzichtiger te zijn in het verkeer. Daarom dienen wij de motie 'Betere sturing rijgedrag' in.

Voorzitter, als laatste willen wij nog ingaan op de inzet van preventieve maatregelen. De ontheffing wordt nog steeds verleend omdat er volgens de gedeputeerde ‘geen andere bevredigende oplossing bestaat (art. 3.8 lid 5 onder a Wnb)’. De rechter oordeelde al dat GS niet heeft aangetoond dat alternatieve maatregelen geen effect hebben, en het college geeft zelf ook aan dat de Wild Beheer Eenheden deze toetsingsgrond niet op orde hebben. Uit dit plan wordt nergens duidelijk welke concrete maatregelen men bedoelt, en hoe beoordeeld wordt of deze een voldoende krijgen.

Voorzitter, wij willen, vóórdat GS de ontheffing verleent, daarom een gedetailleerd overzicht zien van de preventieve acties die zijn of worden ondernomen en waar, wanneer en hoelang deze zijn ingezet, inclusief de resultaten, met een onderbouwing waarom men meent dat dit de best beschikbare technieken zijn. Daarom dienen wij de motie 'Overzicht preventieve maatregelen' in. Zonder dat overzicht kan en mag de provincie volgens de letter van de wet natuurbescherming geen ontheffing verlenen.


[1] https://groningen.faunabeheereenheid.com/wp-content/uploads/sites/2/2021/08/20210608-vastgesteld-FBP-ree-2021-2025-ter-verzending-aan-provincie.pdf

[2] https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=LEGISSUM%3Al32042