Schrif­te­lijke vragen uitbreiding veehou­de­rijen en stikstof


Indiendatum: 17 sep. 2020

Betreft: Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS ex artikel 67 RvO betreffende stikstofemissies en uitbreiding bedrijven

Geacht College,

De provincie Groningen verleende de afgelopen maanden veel vergunningen Wnb aan veebedrijven, voor zowel legalisering als uitbreiding. Een aantal bedrijven die niet nabij N2000 gebieden liggen gaan meer stikstof uitstoten. Met deze handelswijze wordt waarschijnlijk voldaan aan de juridische eisen voor natuurbehoud, waarbij de focus ligt op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen op Lieftingsbroek, en het voorkomen van overschrijding op buiten onze provincie gelegen N2000 gebieden. Echter: het gaat slecht met alle natuur door stikstof, om dit op te lossen is een ecologische aanpak nodig. Niet alleen binnen de wettelijke grenzen, maar rekening houdend met de werkelijke situatie in het veld. In natuurgebieden speelt bovendien het probleem van ‘verouderde’ instandhoudingsdoelstellingen. Zo gaat het door stikstof erg slecht met de natuur in het bijvoorbeeld het Zuidlaardermeergebied, maar omdat er slechts met de instandhoudingsdoelstellingen rekening gehouden wordt, hebben overige ‘natuurdoeltypen’, die ook lijden onder de depositie, geen afdoende bescherming.

Verder merken wij op dat bij veel vergunningen de invloed op het Waddengebied als ‘te verwaarlozen’ wordt aangemerkt. Echter dit gebied lijdt ook door overmatige stikstofdepositie en -uitspoeling, waarbij veehouderij door het RIVM als één van de veroorzakers wordt aangemerkt. In het rapport Het Waddengebied en stikstofdepositie’[1] wordt gesteld: ‘Er is sprake van een aanzienlijke bijdrage van ammoniakemissies vanuit het zeewater. De oorzaak daarvan ligt in de uitstroom van nitraten vanuit rivieren en stromen, die voor een deel weer voortkomen uit de uit- en afspoeling van nitraten vanuit landbouw, resultaat van decennia van overbemesting van landbouwgronden. De belangrijkste bronnen vanuit Waddenprovincies zelf zijn de emissies vanuit (rundvee-) stallen en de emissies die vrijkomen bij het aanwenden van mest. ‘ Conclusie: ‘Bij het toelaten van nieuwe plannen en projecten buiten het Waddengebied zou ook gekeken moet worden naar de aanvaardbaarheid van directe en indirecte (bijv. via uitspoeling en rivieren) stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden van het Waddengebied’.

Graag stellen wij u de volgende vragen.

  1. In augustus heeft u aan meerdere veebedrijven een vergunning Wnb verleend. Bij een flink aantal bedrijven stijgt de stikstofemissie, weliswaar niet op N2000 gebieden (AERIUS), maar de uitstoot draagt wel bij aan de totale toename in het milieu. Daarmee heeft dit ook invloed op natuur buiten de N2000 gebieden. Met deze natuur gaat het ook bedroevend slecht. Vindt u dat u desalniettemin al deze uitbreidingen nog kunt rechtvaardigen, nu de noodzaak tot verlaging van emissies zo urgent is?
  2. Graag uw reactie op de bevindingen en conclusies uit het rapport Waddengebied en stikstofdepositie. Bent u van mening dat u bij vergunningverlening voldoende rekening houdt met schadelijke effecten op de Wadden, en kunt u dit toelichten? Kunt u hierin expliciet de uitspoeling door mest meenemen? Wordt bij vergunningverlening veehouderij volgens u voldoende in acht genomen dat door uitbreidingen het steeds moeilijker wordt aan de KRW verplichtingen te voldoen?
  3. Bent u bereid om, naast het voldoen aan de juridische verplichtingen, veel sterker te gaan inzetten op een ecologische aanpak? Waarbij in samenspraak met de natuurbeheerders gekeken wordt welke natuur in en buiten de N2000 gebieden extra bescherming tegen stikstof nodig heeft? En extra beheersmaatregelen? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dit in gang zetten? Zo nee, waarom niet?
  4. De verleende vergunningen leiden ook tot een verdere stijging van de dieraantallen in onze provincie. De provincie levert hiermee een actieve bijdrage aan het vergroten van het stikstof- en mestprobleem, klimaatopwarming, aantasting van dierenwelzijn en verlies van biodiversiteit. Waarom vindt u dit toch te verantwoorden, en kunt u dit toelichten? Waar wilt u heen? Bent u überhaupt bereid om vanuit morele overwegingen te zeggen ‘tot hier en niet verder – voor toekomstige generaties en een gezonde planeet, en daar op overtuigende wijze beleid voor te formuleren?
  5. Hoe verklaart u de toename van het aantal dieren (kippen, varkens) in de IV in 2019[2], terwijl per 1 januari 2019 de IV in Groningen op slot is gezet?
  6. Het is zeer opvallend dat het aantal kalkoenen en slachteenden In Groningen verdubbeld is. Hoe verklaart u deze toename? Deze dieren vallen ook onder de categorie intensieve veehouderij / pluimvee en derhalve zou ook deze bedrijfstak op slot moeten zitten.
  7. In de concept-GRAS staat : ‘Hoewel de Raad van State heeft aangegeven dat onherroepelijke PAS-vergunningen hun werking behouden, is het niet onmogelijk dat PAS-vergunningen of prePASvergunningen toch moeten worden ingetrokken. De rechtspraak zal uit moeten wijzen of de onherroepelijke vergunningen in stand kunnen blijven.’ Kunt u dit toelichten? Hoe zou een onherroepelijke vergunning kunnen worden aangevochten, immers op dit moment bestaat daar voor organisaties geen mogelijkheid toe? Is het correct dat het al dan niet stand houden van deze vergunningen afhankelijk is van óf deze bedrijven voor de rechter worden gedaagd, of kan ook op andere wijze besloten worden dat de vergunningen moeten worden ingetrokken? Welke rol gaat u daar eventueel in vervullen?

Met vriendelijke groet,

Ankie Voerman

Partij voor de Dieren


[1] https://www.waddenacademie.nl/...

[2] https://opendata.cbs.nl/#/CBS/...