Schrif­te­lijke vragen inzake toepassing emis­siearme stal­sys­temen en vergun­ning­ver­lening Wnb


Indiendatum: 11 okt. 2021

Betreft: Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS ex artikel 67 RvO betreffende toepassing emissiearme stalsystemen en vergunningverlening Wnb

Geacht College,

Na de rechtbank Noord-Nederland heeft nu ook de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat de zekerheid ontbreekt dat emissiearme melkveestallen daadwerkelijk de lagere uitstoot halen zoals vastgelegd in de Rav (Regeling ammoniak en veehouderij) en dat de Rav-emissiefactoren voor deze stallen daarom niet zonder nadere onderbouwing gehanteerd kunnen worden bij het verlenen van natuurvergunningen dan wel bij het intern salderen met natuurvergunningen[1].

Graag stellen wij u de volgende vragen:

1. Hoeveel natuurvergunningen heeft u in 2021 verleend voor melkveebedrijven waarbij Rav-emissiefactoren gehanteerd zijn voor emissiearme stalsystemen, en meent u dat deze standhouden indien onderwerp van juridische procedure? Zo ja, waarom?

2. Hoeveel aanvragen natuurvergunning voor melkveebedrijven heeft u in 2021 positief afgewezen in verband met intern salderen, en wat was hiervan de reden?

3. Is er overlegd met de rijksoverheid en andere provincies naar aanleiding van de hierboven bedoelde rechterlijke uitspraken over gebruik van Rav-emissiefactoren bij het beoordelen van de gevolgen voor Natura 2000 gebieden? In hoeverre wordt een gezamenlijke lijn gevolgd?

4. Blijft u bij de beoordeling dat waar sprake is van intern salderen bij melkveebedrijven de Rav-emissiefactoren voor emissiearme stallen gehanteerd kunnen worden?

a. Zo ja, kunt u toelichten hoe u daarmee zult voldoen aan uw plicht om wetenschappelijke zekerheid te verkrijgen over de gevolgen daarvan voor Natura 2000 gebieden?

b. Zo nee, kunt u toelichten wat daarvan de gevolgen zijn voor aangevraagde positieve afwijzingen én voor handhavingsverzoeken voor situaties waarin intern gesaldeerd wordt op basis van de Rav-emissiefactoren?

5. Bent u voornemens de provinciale Beleidsregel salderen stikstof te herzien op basis van bovengenoemde uitspraken? Zo nee, waarom niet?

6. Kunt u met zekerheid stellen dat de door u genomen besluiten gebaseerd op emissiearme stalsystemen niet leiden tot een hogere emissie en depositie, en waarop baseert u dit? Is hier sprake van feitelijkheden of aannames?

7. Kunt u aangeven welke gevolgen de hierboven genoemde rechterlijke oordelen hebben voor het legaliseren van PAS-melders? Wordt de benodigde stikstofruimte bepaald op basis van Rav-emissiefactoren voor emissiearme vloeren of wordt, om wetenschappelijke zekerheid te verkrijgen, de benodigde stikstofruimte gebaseerd op de onomstreden Rav-emissiefactor voor traditionele melkveestallen?

De Rechtbank Midden-Nederland oordeelde tevens dat voor ieder individueel bedrijf onderzocht moet worden of een vergunning nodig is voor het weiden van koeien[2].

8. Welke gevolgen verbindt u aan bovengenoemd rechterlijk oordeel?

9. Bent u het met ons eens dat weidegang, mét de bijbehorende emissie, uit dierenwelzijnsoogpunt de voorkeursvorm van bedrijfsvoering is? En dat deze niet zomaar vervangen mag worden door permanent opstallen ook al zou hiermee emissiewinst behaald worden?

Veel nieuwe emissie-arme technieken worden ingezet om de aantallen dieren op bedrijven te maximaliseren, en niet zozeer voor emissiereductie met behoud van bestaande dieraantallen.

10. Bent u het met ons eens dat dit een averechts effect heeft op de noodzakelijke absolute vermindering van dieraantallen waar het klimaat, de natuur en het milieu om schreeuwt? Zo nee, hoe valt volgens uw college het ene dan met het andere te rijmen? Zo ja, welke beleidsinstrumenten kan de provincie inzetten om ‘slim’ gebruik van emissie-arme technieken een halt toe te roepen, en bent u daartoe bereid?

Vriendelijke groet,

Ankie Voerman

Partij voor de Dieren


[1] https://www.trouw.nl/duurzaamh...

[2] https://www.rechtspraak.nl/Org...