Schrif­te­lijke vragen inzake ontheffing doden reeën


Indiendatum: apr. 2021

Betreft: Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS ex artikel 67 RvO betreffende ontheffing doden reeën

Geacht College,

Op 23 maart j.l. verleende u een ontheffing[1] aan de FBE Groningen voor het doden van 890 reeën + 89 zieke en gebrekkige dieren. Deze ontheffing is een ‘tussenopdracht’ voor een jaar, in aanloop naar een nog op te stellen faunabeheerplan ree. Reden voor bejaging is ‘populatiebeheer en verkeersveiligheid’. Volgens GS bestaat er geen andere bevredigende oplossing dan het doden van dieren.

Graag stellen wij u de volgende vragen:

  1. Als er geen onderzoek wordt gedaan naar het effect van stoppen bejaging, heeft de bewering dat jagen onvermijdelijk is geen grondslag.
  2. Is het correct dat er in Groningen nooit geprobeerd is om één of meerdere jaren niet te bejagen?
  3. Bent u bereid om, voor bijvoorbeeld een periode van vijf jaar, het populatiebeheer achterwege te laten, om te onderzoeken welke effecten dit heeft op de populatie, wildaanrijdingen en schade aan gewassen? Zo nee, waarom niet?
  4. Sinds 2018 wordt de doelstand losgelaten. Waarom heeft u deze ontheffing dan toch weer op deze manier opgesteld, in de wetenschap dat het strijdig is met uw eigen beleid, en mogelijk juridisch niet houdbaar?
  5. Kunt u aangeven op basis waarvan de FBE haar nieuwe FBP ree gaat uitwerken, als niet gebruikt gemaakt gaat worden van doelstanden / trendtellingen?
  6. In de beleidsnotitie Flora en Fauna 2018 staat dat beheer moet worden uitgewerkt in een FBP. Deze ontheffing is geen onderdeel van een FBP, en daarom ook strijdig met uw beleid. Graag toelichting.
  7. Waarom laat u het opstellen van het nieuwe FBP geheel over aan de (belanghebbende) FBE? Is de provincie niet zelf in staat een reeënplan op te stellen en waarom niet?
  8. Vindt u het getuigen van integer natuurbeleid om 890 reeën (= 20% van de geschatte populatie) te doden, terwijl niet bekend is hoeveel er daadwerkelijk zijn? Kan dergelijk natte-vinger werk volgens u ongemerkt leiden tot het aantasten van de staat van instandhouding? Zo nee, waarom niet?
  9. Uw standpunt is dat het ‘niet haalbaar is om alleen preventieve maatregelen zoals het plaatsen van hekken en wildspiegels te treffen en daarmee de gewenste effecten te behalen aangezien deze preventieve maatregelen veelal niet voldoende effect sorteren en moeilijk te realiseren zijn’ (p.11) . Wat bedoelt u met ‘moeilijk te realiseren’, en betreft het hier afrasteringen of ook het invoeren van bijv. snelheidbeperkingen, reflectoren, bermaanpassingen etc? Gaat het hier om barrières van organisatorische of financiële aard?
  10. Ook acht u het ‘niet mogelijk om het nemen van preventieve maatregelen als voorwaarde voor het gebruik van deze opdracht te stellen, wanneer het gaat om populatiebeheer’ (p.14). Waarom is dit niet mogelijk? Waarom kunnen er geen eisen per gebied opgesteld worden voor een bepaald niveau aan preventieve maatregelen dat aanwezig/genomen moet zijn langs wegen en bij schadegevoelige percelen?
  11. Bent u van mening dat overal in Groningen de best beschikbare technieken voor wildwaarschuwingssystemen en wildreflectoren zijn genomen? Zo nee, waarom niet, en bent u bereid dit wel als doel te stellen?
  12. Bent u bekend met het type wildreflectoren dat momenteel in de regio Nijmegen wordt geplaatst[2]? Worden deze reflectoren ook in Groningen gebruikt? Zo ja, wat zijn de bevindingen? Zo nee, waarom niet?

Vriendelijke groet,

Ankie Voerman

Partij voor de Dieren


[1] https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2021-18870/1/bijlage/exb-2021-18870.pdf

[2] https://www.gelderlander.nl/berg-en-dal/aantal-ongevallen-in-regio-nijmegen-moet-omlaag-extra-wildspiegels-tegen-overstekende-reeen~a1ffa9f2/