Schrif­te­lijke vragen inzake gevolgen uitspraak Raad van State emis­siearme stal­sys­temen


Indiendatum: 14 sep. 2022

Betreft: Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS ex artikel 67 RvO betreffende gevolgen uitspraak Raad van State emissiearme stalsystemen

Geacht College,

Op woensdag 7 september 2022 heeft de Raad van State (RvS) een uitspraak gedaan waarbij de

emissiefactoren voor de stalsystemen A1.13 en A1.28 niet meer gebruikt kunnen worden voor de

aanvraag voor een natuurvergunning. De onderbouwing hiervan wordt gevonden in het rapport

van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) uit 2020 over emissiearme stallen.

Er is al jarenlang twijfel over effectiviteit van emissiereductietechnieken bij veebedrijven en de

bijbehorende zogenaamde ammoniakemissiefactoren zoals die in de Regeling ammoniak en

veehouderij (RAV) staan. Toch spelen deze technieken een belangrijke rol bij het verlenen van vergunningen van veehouderijen, o.a. bij intern salderen. Volgens experts mogen geen vergunningen verleend worden zolang twijfel bestaat over de effectiviteit van die technieken[1]. De wet eist dat enkel nieuwe vergunningen worden verleend als 'geen redelijke twijfels' bestaan dat de stikstofemissies niet toenemen. In meerdere zaken, met verschillende stalsystemen, hebben rechters dit bevestigd. Uit de uitspraak blijkt dat de Raad van State hier in meegaat.

Wetenschapper Raoul Beunen bevestigt, dat provincies een vergunning moeten weigeren als niet zeker is of de uitbreiding van een veehouderijbedrijf niet leidt tot een hogere stikstofdepositie. De uitstoot van ammoniak ten opzichte van de referentiesituatie mag dus niet toenemen. Volgens Dhr. Beunen ging deze uitspraak toevallig specifiek over twee stalsystemen, maar zouden alle stalsystemen waarbij gerede twijfel is over de emissiefactor op dezelfde manier beoordeeld moeten worden. Als er op basis van wetenschappelijke studies ook daar aanwijzingen zijn dat de gebruikte emissiefactor de daadwerkelijke uitstoot onderschat, zou een provincie een vergunning voor uitbreiding moeten weigeren.

Wij stellen u graag de volgende vragen:

  1. Welke gevolgen heeft de uitspraak voor nog niet definitieve vergunningen die gebruik maken van emissiearme stalvloeren en andere emissiereductietechnieken?
  2. De wet eist dat enkel nieuwe vergunningen worden verleend als 'geen redelijke twijfels' bestaan dat de stikstofemissies niet toenemen. Bent u het eens met experts dat het feit dat diverse regionale rechtbanken en nu de Raad van State een streep hebben gezet door een aantal vergunningen betekent dat de vergunningverleners hun huiswerk niet goed hebben gedaan en de vergunningaanvragen hadden moeten weigeren op basis van de inzichten die er ook toen al waren? Zo nee, waarom niet?
  3. Kunt u bevestigen dat u in theorie bij alle stalsystemen waarbij gerede twijfel is over de emissiefactor een vergunning voor uitbreiding kan weigeren?
  4. Bent u bereid van vergunningverlening af te zien als niet zeker is of de uitbreiding niet leidt tot een hogere depositie? Zo nee, waarom niet?
  5. Wat zijn de gevolgen van de uitspraak voor het afgeven van zgn. positieve weigeringen, gaat u deze nog verlenen?
  6. Bent u het met ons eens dat er bij bedrijven die intern salderen met toepassing van emissiearme stalsystemen, en daarvoor geen vergunning meer hoeven aan te vragen, nu een hogere depositie kan optreden? Gaat u hier actie op ondernemen en zo ja, welke?
  7. Er wordt gesteld dat een provincie zich niet zomaar kan verschuilen achter Rav-factoren en niet verplicht is een vergunning te verlenen, maar in de eerste plaats de plicht heeft om op basis van de Wet natuurbescherming te beoordelen of de te vergunnen activiteit niet leidt tot schade aan de natuur. Kunt u zich hierin vinden? En heeft u volgens u naar deze plicht gehandeld?
  8. Is GS het met ons eens dat het voor de natuur en veehouders het beste is om nu een vergunningenstop in te stellen? Is GS bereid tot het instellen van zo’n stop?
  9. Is GS bereid ook de lopende vergunningaanvragen die emissiearme stallen en technieken gebruiken, op te schorten totdat er meer duidelijkheid is voor de gevolgen voor de natuur en veehouders? Zo nee, waarom niet?
  10. Deze uitspraak heeft betrekking op staltype A1.13 en A1.28. Zijn deze staltypen ook gebruikt bij natuurvergunningen in Groningen? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat het?
  11. Er zijn stallen die uitbreiden op basis van oudere Wnb-vergunningen, waar ook de onbetrouwbare Rav-codes voor zijn gebruikt. Is er in theorie juridische ruimte voor provincies om opnieuw naar zo'n vergunning te kijken en die eventueel in te trekken? Geeft bijvoorbeeld artikel 5.4 van de Wet natuurbescherming de mogelijkheid aan de provincie om een vergunning in te trekken of te wijzigen, als blijkt dat het rendement van de staltechnieken niet wordt behaald? Zou u hiertoe bereid zijn?
  12. Nu blijkt dat emissiearme stallen meer ammoniakuitstoot hebben dan berekend, betekent dit in onze visie dat hierdoor extra reductie nodig is nabij Liefstinghsbroek en op Groninger bedrijven die N2000 gebieden over de provinciegrens belasten. Deelt u deze visie? Zo niet, op grond waarvan niet?
  13. Ook in Groningen lijken veel veehouders er op te rekenen dat ze middels innovatie nog kunnen uitbreiden. Ook u hangt deze mening aan. Welke gevolgen heeft het niet meer toegestaan zijn van emissiearmen stallen voor de gebiedsprocessen?
  14. Bent u bereid om in gebiedsprocessen technologische aanpassingen waarvan het rendement onzeker is, te ontraden en te sturen op reductie van dieraantallen? Zo nee, waarom niet?

Met vriendelijke groet,

Ankie Voerman

Partij voor de Dieren


[1] https://eenvandaag.avrotros.nl...