Schrif­te­lijke vragen inzake de voor­ge­nomen subsi­die­re­geling voor bedrijfs­maat­re­gelen om de emissie van ammoniak uit mest te beperken


Indiendatum: 19 dec. 2022

Betreft: Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS ex artikel 67 RvO betreffende de voorgenomen subsidieregeling voor bedrijfsmaatregelen om de emissie van ammoniak uit mest te beperken

Geacht College,

In de begroting 2023 schrijft u: ‘Per januari 2023 stellen wij via SNN een subsidieregeling open voor agrariërs om relatief eenvoudige stikstofmaatregelen te nemen om op deze manier de uitstoot van stikstof ook op korte termijn al te kunnen reduceren’.

Bij de behandeling van de begroting 2023 zijn hierover door de fracties van de SP en de PvdD technische vragen gesteld. In antwoord hierop schrijft u onder meer: ‘De subsidieregeling wordt op dit moment afgerond. De gesprekken met het ministerie van LNV zijn nog gaande om tot overeenstemming te komen over het gevraagde bedrag van € 180 miljoen. Wanneer dat akkoord er is, kan de regeling in twee maanden open worden gesteld. Het gaat om agrarische bedrijfsmaatregelen zoals het toevoegen van water of magnesiumchloride aan mest of extra beweiden. Het is een pilot en op basis van proeven lijken reductiepercentages van 30% mogelijk’.

Op vragen over de effectiviteit van de beoogde maatregelen antwoordt u, dat hier nog onderzoek naar wordt gedaan. En in antwoord op een vraag over eventuele neveneffecten (i.c. op de nitraatuitspoeling en/of op de kwaliteit van het biotische en abiotische milieu) is uw antwoord: ‘De neveneffecten moeten nader worden bezien als wij de maatregelen concreet in beeld hebben’.

Wij stellen u graag de volgende vragen:

  1. Onderschrijft u het beginsel in het milieubeleid, dat een bronaanpak (i.c. het beperken van de stikstofinput) valt te prefereren boven maatregelen die zijn gericht op het beperken van de negatieve effecten (i.c. de grote stikstofverliezen naar het milieu in de vorm van ammoniak en nitraat)?
    Zo nee, op grond waarvan niet?
    Zo ja, hoe valt het toevoegen van het zout MgCl2 aan drijfmest te rijmen met dit milieubeginsel?
  2. Welke lessen trekt u uit het feit, dat technische, effectgerichte maatregelen zoals de zgn. emissiearme stallen in de praktijk niet de beoogde emissiereductie opleveren? Op basis waarvan verwacht u, dat een uitgesproken effectgerichte maatregel als het toevoegen van MgCl2 aan drijfmest wel doeltreffend zal zijn?
  3. Heeft u de beschikking over onafhankelijk, wetenschappelijk onderzoek waaruit onomstotelijk blijkt, dat het toevoegen van het zout MgCl2 aan drijfmest een substantiële reductie van de ammoniakemissie oplevert én (óók bij langdurig gebruik) geen negatieve effecten heeft op het biotische en abiotische milieu? Zo nee, is dit een reden om het toevoegen van MgCl2 aan drijfmest (vooralsnog) niet te gaan stimuleren? Zo ja, wilt u Provinciale Staten hierover informeren?
  4. Volgens krantenberichten heeft het ministerie inmiddels ruim € 55 mln. toegezegd. Welke voorwaarden verbindt het ministerie aan de beschikbaarstelling van dit budget? Hoeveel verwacht u hier bovenop nog te ontvangen (in relatie tot de aanvraag van € 180 mln.)?
  5. Bent u met ons van mening, dat de subsidieverlening aan bedrijfsmatige maatregelen zoals het toevoegen van MgCl2 of water aan drijfmest doeltreffend en doelmatig dient te zijn? Zo ja, welke voorwaarden gaat u stellen aan de subsidieverlening om dit te waarborgen? En hoe gaat u die subsidievoorwaarden vervolgens handhaven?
  6. U schrijft, dat het bij toevoegen van water of MgCl2 ‘om een pilot gaat’. Kenmerk van een pilot is dat het nog maar afwachten is of de betrokken maatregel in de praktijk ook daadwerkelijk zal werken. Hoe valt een pilotproject te rijmen met uw antwoorden op vraag 5?
  7. Gaat u maatregelen treffen om te waarborgen dat de winning en/of productie van het extra benodigde magnesiumzout (MgCl2) met zekerheid geen mijnbouwschade of milieuverontreiniging zal opleveren (in onze provincie) en ook anderszins duurzaam is? Zo ja, wat zijn die maatregelen? Zo nee, hoe valt dat te rijmen met het breed gedeelde uitgangspunt dat er geen sprake mag zijn van afwenteling?
  8. Gaat u voorwaarden stellen aan het gebruik van water, i.c. de garantie dat hiervoor geen drinkwater zal worden gebruikt?
  9. Eén van de genoemde maatregelen is extra beweiden. Bent u met ons van mening, dat koeien sowieso in de wei thuishoren, tenzij de weersomstandigheden dat niet toelaten? Zo ja, waarom wordt dit dan niet voorgeschreven?
  10. Hoe wilt u voorkomen, dat subsidie ondoelmatig wordt besteed doordat hiermee maatregelen worden gesubsidieerd die sowieso al plaatsvinden? Ofwel: tot wanneer is er sprake van reguliere beweiding en vanaf wanneer is er sprake van extra beweiding? Hoe gaat u dit in de praktijk handhaven?
  11. Van welk referentiepunt gaat u uit om vast te stellen dat extra beweiding leidt tot een lagere emissie van ammoniak?
  12. Kunt u op basis van degelijk onderzoek onderbouwen, dat extra beweiding niet alleen op papier maar ook in de praktijk daadwerkelijk zal leiden tot een wezenlijk lagere ammoniakemissie? In hoeverre zal zo’n lagere emissie óók worden gehaald als de koeien dagelijks gedurende bepaalde tijd (bijv. tijdens het melken) in de stal komen en het vloeroppervlak in de stal dus blijvend besmeurd wordt met drijfmest met de bijbehorende ammoniakemissie?
  13. Bent u met ons van mening, dat het bij voorbaat veel doeltreffender en doelmatiger is om de beschikbare middelen in te zetten voor het stimuleren van een grootschalige omschakeling van de gangbare naar een biologische (en natuurvriendelijke) melkveehouderij met een gesloten stikstofkringloop op bedrijfs- of lokaal niveau? Zo nee, kunt u dit onderbouwen in termen van een kosteneffectieve reductie van de emissie van ammoniak en nitraat in de melkveehouderij?

Met vriendelijke groet,

Ankie Voerman

Partij voor de Dieren