Schrif­te­lijke vragen inzake bescherming kleine marter­ach­tigen


Indiendatum: mrt. 2020

Betreft: Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS ex artikel 67 RvO betreffende bescherming kleine marterachtigen

Geacht College,

In 2019 verscheen het rapport ‘Kleine marters en andere grijze soorten in de provincie Groningen in 2018’[1]. Het onderzoek was uitgezet om meer duidelijkheid te verkrijgen over het voorkomen van wezel, bunzing, hermelijn en enkele andere ‘grijze’ soorten van de Lijst Groninger Soorten (LGS).

De conclusie van het onderzoek luidt onder andere dat de staat van instandhouding van bunzing en hermelijn ongunstig is, en die van de wezel ook niet florissant. Er waren nauwelijks waarnemingen in agrarisch gebied, de kleine marters en de meeste andere grijze soorten zijn vooral aangetroffen in natuurgebieden. Ook wordt geconcludeerd dat de afstanden tussen natuurgebieden te groot zijn, verbindingszones te smal en te kaal, hetgeen een negatieve invloed heeft op groei en verspreiding van populaties. Grootschalig maaien in het agrarisch gebied zorgt voor lastig te overbruggen barrières en verhindert populatie-uitwisseling. Tevens wordt gemaaid aan het eind van de zomer, hetgeen precies samenvalt met het moment waarop de jongen van kleine marters zelfstandig worden en wegtrekken. Geadviseerd wordt om de kwaliteit van de verbindingszones te verbeteren door ander maaibeheer zodat er meer dekking ontstaat.

De kerngebieden van hermelijnen zijn natte gebieden met veel sloten, waar woelratten hun prooi vormen. Dit zijn ook de weidevogelgebieden, waar juist vaak maatregelen worden genomen om bosjes en struiken te verwijderen, waarmee de schuilplaatsen van marters worden vernield.

Graag stellen wij u de volgende vragen:

  1. Alle drie de kleine marterachtigen staan nog steeds op de provinciale vrijstellingslijst[2], [3]. In 2018 gaf u in antwoord op onze schriftelijke vragen[4] aan dat u voorlopig de landelijke lijst overnam, omdat er geen aanwijzingen waren dat deze soorten in hun staat van instandhouding werden bedreigd. Uit voorgenoemd onderzoek blijkt dat dit voor Groningen anders ligt. Bent u alsnog bereid de kleine marterachtigen van de lijst te halen c.q. te beschermen? Zo nee, waarom niet?
  2. Op de LGS 2020 staan bunzing en hermelijn inmiddels als rood (vergt actie). Maar ze zijn nog niet beschermd. Bent u het met ons eens dat gegeven de zeer lage aantallen de hermelijn direct dient te worden beschermd, aangezien het de meest kwetsbare soort betreft? Zo nee, waarom niet?
  3. Voor de wezel wordt de situatie als ‘goed’ geclassificeerd. Uit het rapport blijkt echter dat de wezel niet in hoge dichtheden voorkomt en kans maakt om lokaal uit te sterven. Waarom staat de wezel toch in het groen? Bent u het met ons eens dat oranje of zelfs rood de werkelijkheid beter weergeeft? Zo nee, waarom niet?
  4. In het Natuurbeheerplan Groningen 2021 zijn kleine marterachtigen niet als doelsoort opgenomen voor de leefgebieden natte en droge dooradering. Kunt u aangeven waarom niet? Bent u bereid ze toe te voegen? Zo nee, waarom niet?
  5. Kleine marterachtigen prederen, net als steenmarters, ook op weidevogelnesten. Daarom zijn marters vaak niet geliefd bij weidevogelbeschermers. Is er volgens u sprake van frictie tussen weidevogelbeheer en het voorkomen van kleine marterachtigen? Zo ja, op welke wijze en heeft dit een direct effect op de aantallen / staat van instandhouding in onze provincie? Zo nee, waarom niet?
  6. Worden er momenteel steenmarters weggevangen in het agrarisch gebied, en zo ja, is hierbij sprake van ‘bijvangst’ van andere marterachtigen?
  7. De laatste jaren is een enorme toename van veldmuizen op het platteland waar te nemen. Kleine marterachtigen (en vossen!) hebben knaagdieren op het hoofdmenu, en kunnen daarmee een grote bijdrage leveren aan biologische bestrijding van muizen. Zijn betrokkenen (agrariërs, tbo’s, provinciaal beheer) bereid om maatregelen te nemen zodat gebieden met een muizeninvasie aantrekkelijker worden voor kleine marterachtigen?
  8. Beheer in landbouw en bosbouw, werkzaamheden t.b.v. landschappelijke inrichting en werkzaamheden aan waterwegen zijn ruimtelijk ingrepen waarvoor vrijstelling bestaat voor doden en verstoren van o.a. martersoorten. Het is dus zeer wel mogelijk dat met ingrepen in landbouw- en natuurgebieden de kleine marterachtigen worden geschaad. Hoe denkt u dit te voorkomen c.q. uit te sluiten? Acht u het wenselijk om op bepaalde locaties gericht ecologisch onderzoek te laten uitvoeren voorafgaand aan werkzaamheden? Zo nee, waarom niet?
  9. Kunt u aangeven welke (extra) ecologische maatregelen er zijn of worden getroffen in de (nabije) toekomst voor kleine marterachtigen? Hoe worden de aanbevelingen uit het rapport bijvoorbeeld opgenomen in het nieuwe beleid voor natuurinclusieve landbouw? Ziet u kans om in toekomstig landbouwbeleid méér en kwalitatief betere verbindingszone’s aan te leggen?
  10. De onderzoekers adviseren om tweejaarlijks te blijven monitoren. Volgt u deze raad op? Zo nee, waarom niet?

Met vriendelijke groet,

Ankie Voerman

Partij voor de Dieren

[1] RapportKleine marters en andere grijze soorten in de provincie Groningen in 2018’, Matthijs Smaal, Edo van Uchelen en Willem van Manen, 2019.

[2] https://habitus.nl/vrijgesteldesoorten

[3] https://regelink.nl/kenniscentrum/beschermde-soorten-provincie-groningen/

[4] https://ris2.ibabs.eu/Reports/ViewListEntry/ProvincieGroningen/7dd583e9-9d23-40b0-b10a-ec33be9a4545

Indiendatum: mrt. 2020
Antwoorddatum: 31 mrt. 2020

U kunt de antwoorden hier inzien.