Schrif­te­lijke vervolg­vragen inzake verstoring vleer­muizen en eekhoorns door bomenkap Veendam


Indiendatum: mrt. 2020

Betreft: Vervolg statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS ex artikel 67 RvO betreffende verstoring vleermuizen en eekhoorns door bomenkap Veendam

Geacht College,

Op 31 januari j.l. stelden wij u vragen over de voorgenomen bomenkap bij uitvaartcentrum Buitenwoelhof te Veendam, welke door u op 5 maart zijn beantwoord[1].

De antwoorden geven aanleiding tot vervolgvragen. In antwoord op vraag 3 stelt u: ‘Het is aan de initiatiefnemer om het juiste ecologische onderzoek uit te voeren. Op basis van de uitgevoerde quick scan kan geconcludeerd worden dat er onder de juiste voorwaarden geen ontheffing nodig is voor de geplande werkzaamheden.’

In het inspectierapport van 6 februari j.l. stelt de inspecteur echter het volgende: ‘Alle drie de onderzoeken zijn gedateerd en op basis van deze onderzoeken is niet uit te sluiten dat er overtredingen van de Wet natuurbescherming door de voorgenomen werkzaamheden plaatsvinden. Op grond van mijn bevindingen lijkt de rode eekhoorn zich op de begraafplaats gevestigd te hebben. Ook is niet uit te sluiten dat boomholtes gebruikt worden als verblijfplaats van vleermuissoorten als watervleermuis, ruige dwergvleermuis en in mindere mate door soorten als laatvlieger en dwerg vleermuis.’

En: ‘Ten aanzien van de zorgplicht van de Wet natuurbescherming is er vooralsnog niet uit te sluiten dat door de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten zullen ontstaan ten aanzien van beschermde soorten. Het uitgevoerde onderzoek heeft plaatsgevonden in 2017 en 2018. Er is niet vastgesteld welke soorten vleermuizen op welke wijze gebruik maken van het terrein.’

  1. Hoe verklaart u de incongruentie tussen uw antwoorden en de bevindingen van de toezichthouder? Waarom meldt u ons niet dat er inderdaad tekortkomingen zijn geconstateerd?
  2. Wat zijn de consequenties voor de gemeente Veendam? Kunt u bevestigen dat de gemeente Veendam nu gehouden is tot het doen van aanvullend onderzoek naar aanleiding van de inspectie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke specifieke onderzoeken moeten worden uitgevoerd voordat werkzaamheden kunnen beginnen? Betreft dit ook vleermuisonderzoek?
  3. Graag stellen wij vraag 2 deels opnieuw, met de bevindingen van de toezichthouder in de hand: ‘Wat vindt u van het feit dat de voorbereidende procedure ontoereikend was, en dat dit door de gemeente/aannemer niet is opgemerkt?’
  4. Er wordt geen rekening gehouden met de ‘houdbaarheid’ van een quickscan (zoals gesteld in antwoord op vraag 4.a), echter de toezichthouder ziet dit als tekortkoming.
  5. Wie beoordeelt de ‘houdbaarheid’ van een quickscan?
  6. Is deze situatie voor u aanleiding om alsnog uw mening te herzien aangaande actualisatieplicht quick scans (antwoord vraag 4.b)?
  7. Bent u het met ons eens dat een verouderde quickscan, samen met een nog uit te voeren check vlak voor aanvang van de werkzaamheden in deze situatie onvoldoende garantie biedt om het schaden van dieren te voorkomen? Immers, vleermuisonderzoek is niet uitgevoerd, en de rode eekhoorn heeft zich inmiddels waarschijnlijk op de begraafplaats gevestigd, en beide zaken zijn onopgemerkt gebleven. Zo ja, welke procedureaanpassingen zijn er nodig, en bent u bereid deze in te voeren?

Met vriendelijke groet,

Ankie Voerman

Partij voor de Dieren

[1] https://ris2.ibabs.eu/Reports/ViewListEntry/ProvincieGroningen/22bc61ac-9403-406b-b589-cc7e0d6e77c7

Indiendatum: mrt. 2020
Antwoorddatum: 7 apr. 2020

U kunt de antwoorden hier inzien.