Schrif­te­lijke vragen inzake toepassing preven­tieve middelen voor­af­gaand aan doden dieren


Indiendatum: mrt. 2020

Betreft: Vervolg statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS ex artikel 67 RvO inzake toepassing preventieve middelen voorafgaand aan doden dieren

Geacht College,

Naar aanleiding van het Faunabeheerplan 2019 – 2024 heeft onze fractie technische vragen gesteld. Een aantal antwoorden gaf aanleiding tot de volgende vragen aan het College.

Ten aanzien van registratie van en controle op het toepassen van preventieve middelen voordat wordt overgegaan tot doden ontvingen wij het volgende antwoord: ‘Er is een beperkte registratie aanwezig bij BIJ12 van de toegepaste preventieve maatregelen. De algemene beschrijving in het faunabeheerplan achten wij voldoende om tot een beoordeling van het plan te komen. De kwaliteit van de registratie van preventieve middelen is niet dusdanig dat hier een duidelijk overzicht van is samen te stellen.’

Ontheffingen voor het doden van ganzen kunnen pas worden verleend als er ‘geen andere bevredigende oplossing voorhanden is’. Alhoewel het niet wettelijk verplicht is om een registratie van alternatieve verjaagmethoden bij te houden, moet er wél worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Hieruit vloeit voort dat moet worden kunnen aangetoond dat alternatieven zijn uitgeprobeerd, en moet met objectieve en contoleerbare gegevens worden onderbouwd dat het alternatief niet als bevredigend kan worden beschouwd. Verder kan de werkzaamheid van preventieve middelen per bedrijf / gebied verschillen, afhankelijk van het gedrag van de ganzen en de aanwezigheid van alternatieve fourageermogelijkheden.

  1. Bent u het met ons eens dat de noodzaak tot doden niet aantoonbaar is zolang toepassing van preventieve middelen niet bewijsbaar heeft plaatsgevonden, en kunt u uw standpunt in deze toelichten?
  2. U stelt dat de algemene beschrijving in het faunabeheerplan voldoende is om tot een beoordeling van het plan te komen. Hiermee gaat u er van uit dat de toepassing van preventieve middelen ook daadwerkelijk op elk perceel plaatsvindt zoals voorgeschreven. Waarop baseert u die aanname, als nergens wordt vastgelegd dat dit ook daadwerkelijk gebeurt? Is een faunabeleid gebaseerd op dergelijke aannames volgens u verdedigbaar, en met welke reden?
  3. Bent het met ons eens dat u momenteel op basis van nauwelijks geregistreerd en gemonitord gebruik van preventieve middelen toestemming geeft voor dodelijk beheer en schadebestrijding, bij zowel ganzen als andere diersoorten. Bent u van mening dat u hiermee juridisch rechtmatig handelt en kunt u dit toelichten?
  4. Wat is de reden dat er slechts een beperkte registratie aanwezig is bij BIJ12? Bent u het met ons eens dat er momenteel onvoldoende zicht is op het al dan niet toepassen van preventieve middelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid completering van de registratie te eisen en meer controlemomenten op te zetten?
  5. A. Bent u bereid om bij de aanstaande bespreking van de tussenevaluatie van het Ganzenakkoord de Staten een uitgebreide toelichting te geven op de toepassing van, controle op en werking van preventieve middelen?
  6. B. Bent u bekend met de ontwikkeling van nieuwe, kansrijke preventieve maatregelen om het doden van ganzen overbodig te maken, en zo ja welke? Wilt u de commissie hier ook over informeren?
  7. Kunt u aangeven hoe de omgang met ganzen gaat veranderen met de doorvoering van natuurinclusieve landbouw? Is er binnen natuurinclusieve landbouw nog wel reden tot het doden van mede-gebruikers van de landbouwgrond? Zo ja, is een dergelijke vorm van landbouw bedrijven dan nog wel natuurinclusief?

Met vriendelijke groet,

Ankie Voerman

Partij voor de Dieren

Indiendatum: mrt. 2020
Antwoorddatum: 21 apr. 2020

U kunt de antwoorden hier inzien.