Vragen inzake visie gede­pu­teerde inzake forse groei melk­vee­hou­derij


Indiendatum: sep. 2014

Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS op grond van artikel 46 van het Reglement van Orde.

Geacht college, geachte heer Staghouwer,

Uit de media[1] vernamen wij dat Gedeputeerde Staghouwer op 8 september jl., tijdens een bezoek aan een kaasfabriek in Heerenveen, een visie op de toekomst van de melkveehouderij heeft gepresenteerd die om nadere toelichting vraagt.

Wij stellen u graag de volgende vragen.

  1. Kunt u aangeven welke uitspraken u heeft gedaan specifiek met betrekking tot groei van de melkveehouderij in de provincie Groningen?
  2. Kunt u aangeven of u een uitbreiding van de melkveehouderij met 30% in Groningen voorstaat, of neemt in uw visie Groningen daar een deel van voor zijn rekening?

Samenwerking met akkerbouwers om de mest kwijt te raken is maar één kant van de medaille. De waterkwaliteit heeft nu al zwaar te lijden onder de veel te hoge uitspoeling van nutriënten. Daarnaast is groei mogelijk gemaakt door mestafzet slechts een beperkt kader, er zijn ook de zeker zo belangrijke kaders ‘maatschappelijke acceptatie’, waar meerder malen is aangetoond dat onder de bevolking geen draagvlak voor megastallen en toenemende overlast is; en ‘dierenwelzijn’, zoals het afnemende aantal koeien in de wei.

  1. Acht u het wenselijk om slechts vanuit het mestvraagstuk een visie (en beleid) te formuleren, en daarbij andere kaders te negeren? Kunt u dit toelichten?
  2. Momenteel zijn we in afwachting van de PAS, met daarin o.a. meer duidelijkheid over de stikstofplafonds gerelateerd aan de veehouderij. Acht u het niet prematuur om uitspraken te doen over forse groei van de melkveehouderij voordat de definitieve aanpak bekend is en kunt u dit toelichten?
  3. Hoe verhoudt uw visie zich tot de brief van de Natuur en Milieufederatie Groningen van d.d. 4 juni 2014, waarin gesteld wordt dat de natuur in Groningen nu al zwaar te lijden heeft onder te hoge stikstofuitstoot en dat de biodiversiteit achteruitholt? Acht u het in dit licht opportuun om groei van een sector te promoten die de belangrijkste bijdrage levert aan de stikstofproblematiek?
  4. De nu gehanteerde norm van grondgebondheid is geen werkelijke grondgebonden bedrijfsvoering, omdat een groot deel van het koeienvoer nog uit o.a. Brazilië geïmporteerd wordt, met de bekende ecologische en humanitaire rampen tot gevolg. Acht u het desondanks ethisch verantwoord om deze beperkte vorm van grondgebondenheid als een vrijkaart voor groei te hanteren?
  5. Bent u van mening dat groei van de melkveehouderij, die onvermijdelijk gepaard gaat met schaalvergroting, tot meer werkgelegenheid leidt, en kunt u dat toelichten?
  6. Is uw visie op groei van de melkveehouderij een visie die door de gehele coalitie breed gedragen wordt, met andere woorden vertegenwoordigde u op de bijeenkomst de mening van de coalitie?

Met vriendelijke groet,

Kirsten de Wrede

[1] http://www.groeneruimte.nl/nieuws/artikel.html?id=162532&b=gr140910

Geachte mevrouw De Wrede,


Bij brief van 22 september 2014 heeft u namens de Partij voor de Dieren een aantal vragen gesteld die betrekking hebben op de mogelijkheden voor groei van de melkveehouderij in Groningen. Aanleiding hiervoor is een scenarioberekening die WUR en Accon/AVM samen hebben uitgevoerd als voorbereiding op het bezoek van Staatssecretaris Dijksma aan de fabriek van A-ware in Heerenveen op 8 september. De opdracht voor deze berekeningen kwam van de drie Noordelijke provincies gezamenlijk. Uitkomst was dat er, op basis van de fosfaat-plaatsingsruimte, in Noord Nederland ruimte is voor een uitbreiding van de productie met 30%, mits daar een flink aantal maatregelen binnen en buiten de melkveesector tegenover staan.
Hierna worden de gestelde vragen beantwoord.

1. Kunt u aangeven welke uitspraken u heeft gedaan specifiek met betrekking tot groei van de melkveehouderij in de provincie Groningen?

Vanwege een drukke agenda zijn bij het bezoek van staatssecretaris Dijksma geen leden van ons college aanwezig geweest. De standpunten die daar vanuit de provincies naar voren zijn gebracht, door de gedeputeerden Kramer van Fryslan en Munniksma van Drenthe, zijn vooraf besproken in het Noordelijk Overleg Landelijk Gebied. Ze worden door alle de drie provincies gedragen.

2. Kunt u aangeven of u een uitbreiding van de melkveehouderij met 30% in Groningen voorstaat, of neemt in uw visie Groningen daar een deel van voor zijn rekening?

Er is en wordt gesproken over een mogelijke productiegroei van 30%. Maar dat wil niet zeggen dat die groei ook werkelijk en overal in gelijke mate gaat plaatsvinden. Op basis van onderzoeken van WUR en Accon/AVM naar de fosfaatplaatsingsruimte is geconstateerd dat dit op termijn tot de mogelijkheden zou kunnen behoren in Noord-Nederland, onder voorwaarden. Daarbij moet u denken aan maatregelen op gebied van de samenstelling van het voer, de productie en levensduur per koe en de mogelijkheden die er moeten worden gecreëerd voor bewerking van de mest en afzet binnen de akkerbouw. Met andere woorden; een uitbreiding tot maximaal 30% meer productie zou in Noord-Nederland grondgebonden mogelijk kunnen zijn, mits de sector een zeer actieve rol gaat spelen in het regionaal oplossen van een aantal problemen die daaruit kunnen voortvloeien. Dat geldt zowel voor de melkveehouderij zelf als voor de akkerbouw. Overigens kan hier nog bij worden vermeld dat het gaat om een mogelijke productiegroei, die niet direct leidt tot een groei van de veestapel met 30%.

3. Acht u het wenselijk om slechts vanuit het mestvraagstuk een visie (en beleid) te formuleren, en daarbij andere kaders te negeren? Kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?

De visie en het beleid zijn niet in eerste instantie vanuit het mestprobleem geformuleerd. De belangrijkste overwegingen waren het economische belang van de melkveehouderij en de zuivelsector voor de economie van Noord-Nederland als geheel. Het behoud van de zuivelsector in Noord-Nederland, gekoppeld aan vestiging van nieuwe zuivelverwerkende bedrijven in Fryslan, biedt werkgelegenheid in een ruim omliggend gebied. Daarnaast kan Noord-Nederland zich hierdoor blijvend in Nederland, Europa en de wereld profileren als een regio die werkt aan innovatie en ontwikkelingen in de sector. De melkveehouders werken hier niet in de laatste plaats aan mee.

4. Momenteel zijn we in afwachting van de PAS, met daarin o.a. meer duidelijkheid over de stikstofplafonds gerelateerd aan de veehouderij. Acht u het niet prematuur om uitspraken te doen over forse groei van de melkveehouderij voordat de definitieve aanpak bekend is en kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?

In de analyse en de scenario's die zijn uitgewerkt is de plaatsingsruimte voor fosfaat als uitgangspunt genomen. De reden hiervoor is dat over fostaat, anders dan bij stikstof, alleen op landelijk niveau afspraken zijn gemaakt over beperking van de ruimte. Dit leidt ertoe dat er op dit moment vooral in Zuid-Nederland een beweging gaande is om deze ruimte in hoog tempo op te vullen, met niet-grondgebonden melkveehouderijen, die hun bedrijfsvoering koppelen aan 100% mestverwerking. De wet biedt hiervoor ruimte. De lobby van Noord-Nederland richt zich op het behoud en waar mogelijk vergroting van de ruimte die er is voor de ontwikkeling van de grondgebonden melkveehouderij. Wij proberen hiervoor ook elders in Nederland medestanders te vinden. Wij zijn ons bewust van de koppeling die bestaat tussen fosfaat en stikstof als het gaat om de mestproblematiek. Maar die koppeling bestaat ook wanneer aan het begin van de keten maatregelen worden genomen voor efficiëntere benutting van voer en betere verwerking van meststromen. Die maatregelen leveren ook een bijdrage aan het oplossen van de stikstofproblematiek.

5. Hoe verhoudt uw visie zich tot de brief van de Natuur en Milieufederatie Groningen van d.d. 4 juni 2014, waarin gesteld wordt dat de natuur in Groningen nu al zwaar te lijden heeft onder te hoge stikstofuitstoot en dat de biodiversiteit achteruitholt? Acht u het in dit licht opportuun om groei van een sector te promoten die de belangrijkste bijdrage levert aan de stikstofproblematiek? Zo nee, waarom niet?

Zie het vorige antwoord.

6. De nu gehanteerde norm van grondgebondenheid doelt niet op werkelijk grondgebonden bedrijfsvoering, omdat een groot deel van het koeienvoer nog uit o.a. Brazilië geïmporteerd wordt, met de bekende ecologische en humanitaire rampen tot gevolg. Acht u het desondanks ethisch verantwoord om deze beperkte vorm van grondgebondenheid ais een vrijkaart voor groei te hanteren? En zo ja, kunt u toelichten waarom?

De keuze die in het Groninger Verdienmodel hiervoor gemaakt is, stellen we niet ter discussie. Ons streven is om de grondgebondenheid van de melkveehouderij in Noord-Nederland te behouden en pas in laatste instantie over te gaan tot verwerking van de mest voor een grotere markt. Daarvoor is samenwerking op regionaal niveau noodzakelijk. Dit vraagt van akkerbouwers om open te staan voor meststromen vanuit de regio en om eventueel ook over te schakelen op bepaalde voedergewassen. Nu maken ze nog regelmatig gebruik van mest van elders in het land. Van de veehouders vraagt dit een afstemming van hun aanbod op de vraag van de akkerbouwers. Gezamenlijk kunnen zij dan regionale kringlopen sluiten en daarmee de ecologische footprint van de landbouw in Noord-Nederland verkleinen.

7. Bent u van mening dat groei van de melkveehouderij, die onvermijdelijk gepaard gaat met schaalvergroting, tot meer werkgelegenheid leidt, en kunt u dat toelichten? Zo nee, waarom niet?

Zie hiervoor het antwoord op vraag 3. De scenario's zijn in eerste instantie uitgewerkt vanuit het belang van de melkveehouderij en de zuivelsector voor de economie van Noord-Nederland. De bouw van grote zuivelfabrieken in Heerenveen is natuurlijk voor de provincie Fryslan van groot economisch belang, maar heeft ook uitstraling naar de omliggende gebieden.

8. is uw visie op groei van de melkveehouderij een visie die door het gehele college breed gedragen wordt, met andere woorden vertegenwoordigde u op de bijeenkomst de mening van het college?

De visie die in Noordelijk verband is geformuleerd op de groei van de melkveehouderij is mede gebaseerd op de zaken die in het Groninger Verdienmodel prominent aan de orde zijn geweest: ruimte voor groei voor melkveehouders die hun bedrijfsvoering verder verduurzamen.

Wij vertrouwen er op u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer