Vragen betref­fende kenmerken melk­vee­hou­de­rijen als inten­sieve veehou­derij


Indiendatum: nov. 2013

Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS op grond van artikel 46 van het Reglement van Orde.

Geacht college,

Op 17 juli jl. deed de Raad van State uitspraak over een geitenbedrijf in Noord-Brabant. Een geitenhouder wilde uitbreiden van 3.500 naar 5.000 melkgeiten. Hiervoor was een vergroting van het bouwblok nodig naar 2,5 ha, terwijl de provincie een maximaal bouwblok hanteert van 1,5 hectare. De provincie Noord-Brabant heeft in haar Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 bepaald dat uitbreiding van het bouwblok mogelijk is bij een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. In deze verordening staat bij de bepaling of sprake is van intensieve veehouderij centraal de vraag of dieren al dan niet in gebouwen worden gehouden.

De Raad oordeelt dat, wanneer de geiten binnen gehouden worden, er sprake is van intensieve veehouderij; dat het voer wordt gewonnen op de omliggende percelen en de mest daarop wordt uitgereden maakt dat niet anders, volgens de Raad. De in de verordening genoemde mogelijkheid voor vergroting van het bouwblok is hier daarom niet op van toepassing.

Aangezien ook in Groningen een aanzienlijk deel van de bedrijfsmatig gehouden koeien en geiten geen substantiële weidegang meer hebben, wil de Partij voor de Dieren het college de volgende vragen voorleggen;
1. Herkent u de overeenkomsten tussen de definitie uit de Brabantse verordening en de definitie in de provinciale omgevingsverordening van de provincie Groningen ?
2. Deelt u de mening van de Partij voor de Dieren dat deze uitspraak van de Raad van State grote gevolgen heeft voor de uitbreiding en nieuwvestiging van melkveehouderijen, wanneer de geiten en koeien geen substantieel deel van het jaar in de wei verblijven? Zo ja, op welke wijze en termijn bent u bereid om de Provinciale Omgevingsverordening zo aan te passen dat melkveehouderijen die hun geiten of koeien geheel, of nagenoeg geheel, in gebouwen houden, op de dezelfde wijze behandeld worden als de intensieve pluimvee- en varkenshouderij? Zo nee, wat zijn uw overwegingen hiervoor en waarom zouden deze overwegingen volgens u tot een ander oordeel van een rechter leiden?
3. Kunt u aangeven of deze uitspraak van de Raad gevolgen heeft voor verleende vergunningen voor uitbreiding of nieuwvestiging voor melkveehouderijen met geiten of koeien?

Wij zien uw antwoorden met belangstelling tegemoet.


Met vriendelijke groet,


Anja Hazekamp

Partij voor de Dieren

Indiendatum: nov. 2013
Antwoorddatum: 4 nov. 2013

Geachte mevrouw Hazekamp,

Bij uw bovenvermelde brief heeft u ons, namens de Statenfractie van de Partij voor de Dieren, een aantal vragen gesteld over de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) van 17 juli 2013, nr. 201207317/1/R3. Naar uw mening zou deze uitspraak aanleiding kunnen zijn om melkveebedrijven die geen weidegang toepassen, voortaan in het provinciale ruimtelijke beleid en in de ter uitvoering daarvan in de Omgevingsverordening Provincie Groningen (hierna: POV) gestelde regels op eÌÂeÌÂn lijn te stellen met intensieve veehouderij. Wij beantwoorden uw vragen als volgt.

Vraag 1:
Herkent u de overeenkomsten tussen de definitie uit de Brabantse verordening en de definitie in de provinciale omgevingsverordening van de provincie Groningen?

Antwoord:
In de ten tijde van het bestreden besluit van toepassing zijnde Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 ^ werd onder intensieve veehouderij verstaan: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens- , vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij.

Zoals u in uw brief reeds aangeeft wordt in de Omgevingsverordening Provincie Groningen (hierna: POV) onder intensieve veehouderij verstaan: agrarische bedrijfsvoering, zelfstandig of als neventak, gericht op het geheel of nagenoeg geheel in gebouwen houden van varkens, pluimvee, vleeskalveren en pelsdieren,
De Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 is opgevolgd door de Verordening ruimte Noord-Brabant 2012. Inmiddels is een ontwerp Verordening ruimte Noord- Brabant 2014 in procedure gebracht.

Met uitzondering van het biologisch houden van dieren overeenkomstig de Landbouwkwaliteitswet.

De beide begripsomschrijvingen hebben gemeen dat zij zien op het geheel of nagenoeg geheel houden van varkens, pluimvee, vleeskalveren en pelsdieren in gebouwen.

Vraag 2:
Deelt u de mening van de Partij voor de Dieren dat deze uitspraak van de Raad van State grote gevolgen heeft voorde uitbreiding en nieuwvestiging van melkveehouderijen, wanneer de geiten en de koeien geen substantieel deel van het jaar in de wei verblijven? Zo ja, op welke wijze en termijn bent u bereid om de Provinciale Omgevingsverordening zo aan te passen dat melkveehouderijen die hun geiten of koeien geheel, of nagenoeg geheel, in gebouwen houden, op dezelfde wijze behandeld worden als de intensieve pluimvee- en varkenshouderij? Zo nee, wat zijn uw overwegingen hiervoor en waarom zouden deze overwegingen volgens u tot een ander oordeel van de rechter leiden?

Antwoord:
Wij delen uw mening niet. In de betreffende uitspraak wordt een rechtsoordeel gegeven over de vraag of de betrokken gemeente terecht heeft geweigerd om medewerking te verlenen aan uitbreiding van een geitenhouderij op grond van strijdigheid met de Verordening ruimte 2011 van de provincie Noord-Brabant, of dat de gemeente hiermee in strijd is gekomen met het op basis van de Reconstructiewet van toepassing zijnde reconstructieplan, dat - aldus degenen die beroep hebben ingesteld - zich niet verzet tegen de voorgenomen bedrijfsuitbreiding.
Cruciaal daarbij is de vraag of de geitenhouderij volgens het reconstructieplan is aan te merken als een melkveehouderijbedrijf dat afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de omliggende bij het bedrijf behorende gronden. De AbRS oordeelt dat dit niet het geval is nu in het bedrijf op grote schaal geiten worden gehouden waarbij weidegang ontbreekt en de bedrijfsvoering geheel is afgestemd op het in gebouwen houden van de dieren. Dat het voer voor de geiten wordt geteeld op omliggende gronden en de mest hier wordt afgezet, maakt dit niet anders, aldus de AbRS. Met name deze laatste zinsnede is opmerkelijk, omdat daarmee wordt afgeweken van de in de praktijk bij overheden gangbare opvatting.

Met de uitspraak heeft de AbRS geen blauwdruk willen geven van wat in zijn algemeenheid onder intensieve veehouderij of grondgebonden agrasrische bedrijfsvoering dient te worden verstaan.

In dit kader zij erop gewezen dat de AbRS in een eerdere uitspraak (d.d. 19 dec. 2012, nr. 201112559/1/r3) het in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 opgenomen uitgangspunt accepteerde dat onder grondgebonden melkrundveehouderijen in ieder geval melkrundveehouderijen worden verstaan die op de huiskavel en in de directe omgeving voldoende areaal grond ter beschikking hebben voor ruwvoederproductie en/of weidegang. Wellicht is bij dat oordeel mede de omstandigheid betrokken dat weidegang slechts een beperkt deel van het jaar plaatsvindt.

Wat daar ook verder van zij, van belang is dat de regels in de POV niet gebaseerd zijn op een onderscheid tussen agrarische bedrijven die afhankelijk zijn van het voortbrengend vermogen van de bij het bedrijf behorende onbebouwde grond en agrarische bedrijven waarbij dit niet het geval is. De POV kent slechts regels over agrarische bedrijven in het algemeen en specifieke regels over intensieve veehouderij, waarbij het uitdrukkelijk gaat om het houden van varkens, pluimvee, vleeskalveren en pelsdieren.

Wij zien in de uitspraak geen aanleiding om provinciale staten voor te stellen melkveehouderij in het kader van de ruimtelijke ordening op eÌÂeÌÂn lijn te stellen met genoemde vormen van intensieve veehouderij. Daartoe wijzen wij erop dat bij de partiële herziening van de POV met betrekking tot intensieve veehouderij in maart 2011 als uitgangspunt is gehanteerd dat de wijze waarop melkveehouderijbedrijven zich manifesteren in het landschap en in brede kringen wordt beleefd zich wezenlijk onderscheid van de wijze waarop varkens-, pluimvee-, vleeskalveren- en pelsdieren bedrijven veelal worden ervaren. Ons is niet gebleken van feiten en omstandigheden om thans op dit uitgangspunt terug te komen.

Dat neemt niet weg dat er mede met het oog op maatschappelijke acceptatie redenen zijn om grenzen te stellen aan de omvang van melkveehouderijbedrijven en, voor zover het ruimtebeslag groter is dan 2 hectare, aan de bedrijfsvoering, met name op het punt van duurzaamheid. Dit heeft in maart 2013 zijn beslag gekregen in de herziening van de POV, waarbij van agrarische schaalvergroting boven de 2 hectare (tot maximaal 4 hectare) alleen sprake kan zijn indien voldaan wordt aan het 'Groninger Verdienmodel'. Dit 'Groninger Verdienmodel zal nog moeten worden vastgesteld.

Vraag 3:
Kunt u aangeven of deze uitspraak van de Raad gevolgen heeft voor verleende vergunningen voor uitbreiding of nieuwvestiging voor melkveehouderijen met geiten of koeien?

Antwoord:
Een rechtelijke uitspraak heeft geen terugwerkende kracht. Verleende vergunningen blijven gewoon van kracht. Afgezien daarvan heeft de uitspraak geen juridische betekenis voor de toepassing van de in de POV opgenomen regels voor veehouderij.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geinformeerd.

Hoogachtend,

Gedeputeerde Staten van Groningen:

voorzitter.

secretaris.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer