Vragen betref­fende jacht op vossen


Indiendatum: nov. 2014

Geacht college,

De Partij voor de Dieren heeft kennis genomen van een nieuwsbericht uit juli, waarin het provinciebestuur bij monde van een bestuursadviseur aangeeft de mogelijkheden te onderzoeken van het intensiveren van de jacht op vossen in de winter. [1]Tevens wordt gesteld dat het jagen met lichtbakken niet erg effectief is. Dit zou wetenschappelijk zijn aangetoond.

De Partij voor de Dieren wil u graag enkele vragen over deze en aanverwante kwesties stellen.

  1. Is het correct dat het college de mogelijkheden onderzoekt om de jacht op vossen in de winter te intensiveren?
  2. Zo ja, welke argumenten worden hiervoor gehanteerd?
  3. Aan welk wetenschappelijk onderzoek wordt gerefereerd voor wat betreft het jagen met lichtbakken?
  4. In het faunabeheerplan 2009-2014 wordt nog gesteld dat het jagen met lichtbakken zeer effectief zou zijn, op blz. 76 komen wij tegen dat er in de periode 2005/ 06, 2006/07 en 2007/08 respectievelijk 452, 910 en 1033 vossen zijn geschoten, waarvan gemiddeld ruim 30 % met kunstlicht. De gebruikers rapporteren dat de effectiviteit van kunstlichtontheffing groot is. Hoe verklaart u deze discrepantie?
  5. Jacht is niet alleen verschrikkelijk voor de dieren die worden dood- en aangeschoten, of voor de dieren die partners of gezinsleden verliezen, maar betekent tevens een grove verontrusting van alle dieren in een ruime cirkel waarin de knallen gehoord worden. Populaties slaan op de vlucht, ook van diersoorten die op dat moment niet bejaagd worden. Aangetoond is dan ook dat het aantal verkeersongelukken met wilde dieren alleen maar méér worden door jagen. Het nachtelijk schieten met lichtbakken veroorzaakt nog meer onrust dan “gewone” jacht. Is het voornoemde wetenschappelijke onderzoek voor u dan ook een reden om de ontheffing voor het op de vos jagen met lichtbakken in te trekken?
  6. In het nieuwsbericht wordt ook gesteld dat jagen in de maanden december tot maart, voordat de vossen jongen krijgen, meer kans van slagen zou hebben dan het jagen met lichtbakken. Een vossenvrouwtje heeft een draagtijd van 51-56 dagen en werpt haar jongen in de lente. Dit zou betekenen dat u van zins bent drachtige vossen dood te schieten. Is deze aanname correct?

In het eerder genoemde Faunabeheerplan worden enkele redenen gegeven om de vos te bejagen. Eén daarvan is het feit dat deze als predator een gevaar zou zijn voor de weidevogelstand. Uitgebreid onderzoek uit 2006 van SOVON Vogelonderzoek Nederland, Alterra en Landschapsbeheer Nederland heeft uitgewezen dat het duo vos en kraai als belangrijkste oorzaken van de teruggang in weidevogelaantallen naar het rijk der fabelen kon worden gewezen.[2] Er werden niet minder dan 20 predatoren vastgesteld, waaronder ook reigers, de hermelijn en de bunzing. Predatie heeft echter niet het lot van de weidevogel bepaald: dat zijn de ontwikkelingen in de landbouw sinds 1960, zoals de ruilverkaveling, het overheersende gebruik van kunstmest in plaats van organische mest en andere grassoorten zoals raaigras, waardoor kruiden en insecten uit het land verdwenen. Algemeen wordt tegenwoordig erkend dat het niet zozeer de predatoren zijn die - bijna - tot de ondergang van de weidevogels hebben geleid, maar dat het ligt in de inrichting van het landschap. De drooglegging van het land en daarentegen weer het koude, natte en voedsel loze raaigras (waar de zon niet doorheen kan dringen). Nog onlangs, in de commissie Ruimte, Natuur en Landschap van 22 oktober, gebruikte het college het weidevogel-argument om de jacht op vossen te legitimeren, toen wij zeiden dat deze op natuurlijke wijze de ganzenstand in evenwicht zou kunnen houden.

  1. Erkent u, gezien deze informatie, dat de weidevogelstand geen legitiem argument is om de vos te bejagen?
  2. Bent u op de hoogte van het feit dat enkele eenvoudige strak gespannen stroomdraadjes een stukje land uiterst effectief vos-vrij weten te houden? Wordt deze methode gebruikt bij weidevogelbeheer in onze provincie? Zo nee, bent u bereid om het gebruik hiervan in de toekomst te onderzoeken?
  3. Een ander argument dat vaak gegeven wordt om de vos te bejagen is de bescherming van primaire zeeweringen. Ditzelfde argument wordt ook gebruikt om bijvoorbeeld beverratten en konijnen te bejagen. De Partij voor de Dieren wijst erop dat problemen nooit definitief worden opgelost met de aanpak van gister, maar dat men met open gemoed situaties moet bekijken. In dit geval lijkt de aanpak eenvoudig: maak zeewerende dijken graversbestendig. Dit lijkt niet zo moeilijk. Denk aan roosters van gaas of basaltblokken. Ook biedt de nieuwe aanpak van zeeweringen mogelijkheden: bij lange, glooiende, zogenaamde “groene dijken” lijkt het gevaar van gravers overbodig. Bent u bereid:
  • een onderzoek te doen naar het graversbestendig maken van dijken? Zo nee, waarom niet?
  • ontheffingen op grond van gevaar voor zeeweringen opnieuw onder de loep te nemen? Zo nee, waarom niet?
  • een uitspraak te doen over het bejagen van gravers bij “groene dijken”? Zo nee, waarom niet?

Door de ontwikkelingen in de landbouw, maar ook door verdergaande verstedelijking en infrastructuur, zal het met de natuur in Nederland nooit meer worden wat het was. Dieren doodschieten onder het mom van een “natuurlijk evenwicht” is dan ook een merkwaardige voorstelling van zaken. Het geeft bovendien geen pas om complete populaties hazen en konijnen dood te schieten en vervolgens de vos te verwijten dat hij een kievitsei verschalkt: wat is er immers anders nog voor het dier over? Jagers hebben de wildstand in Nederland geminimaliseerd. Zo denkt ook André Donker erover, een bekende publicist en boswachter van Natuurmonumenten in Drenthe. In een recent opinieartikel noemt hij de huidige wildstanden extreem laag.[3] Hij refereert aan de onlangs gehouden wild-enquete van Natuurmonumenten, waar 40000 mensen aan deelnamen. Hieruit bleek dat men niet houdt van afschot van dieren omwille van landbouwschade en dat men ook graag vaker dieren in het wild wil zien. Donker heeft het dan ook over “... een veranderende maatschappij met moderne normen en waarden ten aanzien van dierenwelzijn en natuurlijkheid”. Hij doet hierin een voorstel om traditionele faunabeheereenheden om te vormen tot democratische commissies, waar naast jagers, boeren en terreineigenaren ook wetenschappers en de Dierenbescherming en Vogelbescherming welkom zijn.

  1. Het voorstel gaat de Partij voor de Dieren niet ver genoeg, maar zou een interessante stap in de goede richting kunnen zijn. Bent u bereid onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor een dergelijke transitie van faunabeheereenheden? Zo nee, waarom niet?

Er wordt veel energie gestoken in het doodschieten van dieren.. Er worden jaarlijks alleen al in onze provincie ongeveer duizend vossen doodgeschoten, waarvan 60 % overdag. Men gaat dus geregeld ‘s nachts op pad. En dit zijn dan alleen nog de vossen: men zou denken dat als al deze energie gestoken werd in schadepreventie of reparatie, zoals bij zeeweringen of voornoemde wildgreppels, jagers ook vanuit het zogenaamde “schade perspectief” volstrekt overbodig zouden zijn. Die schade lijkt toch al vrij minimaal trouwens; een reden om ontheffing voor de vos te verlenen is schade aan lammeren en kippen. Deze vorm van schade was in de periode 2004-2009 12 maal gemeld. De vraag naar efficiëntie van het huidige faunabeheer systeem lijkt dan ook gerechtvaardigd.

  1. In het artikel meldt Donker verder dat er vroeger vaak wildgreppels werden aangelegd en houtwallen geplaatst om landbouw en natuur te scheiden. “Blijkbaar zijn we inmiddels verleerd op een natuurlijkere manier om te gaan met wilde dieren omdat we ze liever een kogel geven als ze te dichtbij komen”, aldus Donker. Hoe is deze situatie in onze provincie? Worden er nog wildgreppels en houtwallen geplaatst om wilde dieren en landbouwgewassen uit elkaar te houden? Bent u bereid te onderzoeken of hier meer gebruik van kan worden gemaakt?
  2. Vossen bejagen omwille van weidevogels, zeeweringen en schade aan lammeren en kippen lijkt gezien bovenstaande informatie onnodig. Bent u bereid de ontheffing op het bejagen van vossen in te trekken? Zo nee, waarom niet?
  3. Kunt u een overzicht verstrekken van alle dieren die tijdens de periodes 2012-13 en 2013-14 gedood zijn door jagers in de provincie Groningen? Zo nee, waarom niet?

Met vriendelijke groet,

Kirsten de Wrede

Partij voor de Dieren

[1] http://www.nieuweoogst.nu/scripts/edoris/edoris.dll?tem=LTO_TEXT_VIEW&doc_id=203628#.VFPiB7l0ybU

[2] https://www.sovon.nl/sites/default/files/doc/Rapporten/Predatie%20bij%20weidevogels_rap2005_11.pdf

[3] http://www.joop.nl/opinies/detail/artikel/28990_wild_is_van_niemand_en_van_ons_allemaal/

Indiendatum: nov. 2014
Antwoorddatum: 16 dec. 2014

Geachte mevrouw De Wrede,

Bij uw brief d.d. 7 november 2014 zond u ons een dertiental vragen aangaande de jacht op vossen. De beantwoording van deze vragen treft u hieronder aan.

Vraag 1 Is het correct (artikel NieuweOogst.nu, juli 2014) dat het college de mogelijkheden onderzoekt om de jacht op vossen in de winter te intensiveren?
Antwoord vraag 1
Nee, dit is niet correct. Bedoeld is dat wij kijken naar mogelijkheden om de periode, waarbinnen op grond van de reeds afgelopen ontheffing afschot mogelijk was,in een toekomstig te verlenen ontheffing in te korten. Deze periode liep van 15 augustus tot 1 april. Uit onderzoek (Vossenonderzoek en -beheer op de Sallandse heuvelrug, 2009-2010, Bureau Mulder-natuurlijk, 2011) blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat het vroeger beginnen met bestrijden een groter effect ople­vert voor de voorjaarsstand van de vos.

Vraag 2 Zo ja, welke argumenten worden hiervoor gehanteerd?
Antwoord vraag 2
Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 3 Aan welk wetenschappelijk onderzoek wordt gerefereerd voor wat betreft het jagen met lichtbakken?
Antwoord vraag 3
In het gesprek waarover het door u aangehaalde artikel bericht, wordt gerefereerd aan het in het antwoord op vraag 1 vermelde onderzoek en is het gebruik van kunstmatige lichtbronnen en de effectiviteit er van in dat verband niet aan de orde geweest.

Vraag 4 In het Faunabeheerplan 2009-2014 wordt nog gesteld dat het jagen met lichtbak­ken zeer effectief zou zijn. Op biz . 76 komen wij tegen dat er in de periode 2005-2006, 2006-2007 en 2007-2008 respectievelijk 452, 910 en 1033 vossen zijn ge­schoten, waarvan gemiddeld ruim 30% met kunstlicht. De gebruikers rapporteren dat de effectiviteit van de kunstlichtontheffing groot is. Hoe verklaart u deze discre­pantie?
Anwoord vraag 4
Het percentage met gebruikmaking van kunstlicht geschoten voss en van het totaal aantal geschoten vossen zegt niets over de effectiviteit van de methode op zich. Andere factoren, zoals onder andere de beperkte groep van 6 jachtaktehouders per wildbeheereenheid die van de ontheffing gebruik mag maken, spelen hierbij een rol. Het is bekend dat de trefzekerheid van een schot bij nachtelijk afschot met behulp van kunstlicht groter is, omdat de dieren worden 'gevangen' in de lichtstraal en zich niet bewegen. Verder is de vos een nachtdier. Overigens lag het percentage geschoten vossen met gebruikmakin g van kunstma­tige lichtbronnen in de periode 2012-2013 dicht bij de 50% , nl. 416 van de in totaal
870 geschoten vossen.

Vraag 5 Het nachtelijk schieten met lichtbakken veroorzaakt nog meer onrust dan 'gewone' jacht. Is het voornoemde wetenschappelijke onderzoek voor u dan ook een reden om de ontheffing voor het op de vos jagen met lichtbakken in te trekken?
Antwoord vraag 5.
De ontheffing op grond waarvan het gebruik van kunstmatige lichtbronnen voor het vangen en doden was toegestaan, is inmiddels afgelopen. Het voornoemde we­tenschappelijke onderzoek geeft echter geen aanleiding om in de toekomst geen ontheffing te verlenen voor het gebruik van kunstlicht.

Vraag 6 In het nieuwsbericht wordt ook gesteld dat jagen in de maanden december tot maart, voordat de vossen jongen krijgen, meer kans van slagen zou hebben dan het jagen met lichtbakken. Een vossenvrouwtje heeft een draagtijd van 51-56 dagen en werpt haar jongen in de lente. Dit zou betekenen dat u van zins bent drachtige vossen dood te schieten. Is deze aanname correct?
Antwoord vraag 6
De effectiviteit van het gebruik van kunstlicht is voor zover wij wete n geen onder­werp geweest in het gesprek bedoeld in het nieuwsbericht. Zie ook het antwoord op vraag 3. Het schieten van drachtige vossen is ook mogelijk op grond van de landelijke vrijstelling en was ook mogelijk op grond van de reeds afgelopen onthef­fing voor het gebruik van kunstlicht. Het geniet vanuit ethisch oogpunt de voorkeur boven een situatie waarbij uiteindelijk de moervos inclusief de reeds geboren jon­gen ter bestrijding van schade moeten worden afgeschoten.

Vraag 7 Erkent u, gezien deze informatie (onderzoeksrapport 'Predatie bij weidevogels', Sovon/Aiterra, 2005), dat de weidevogelstand geen legitiem argument is om de vos te bejagen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord vraag 7
Uit het onderzoek blijkt onder andere, dat predatie de meest voorkomende oorzaak van legselverlies was en dat de vos daarin een substantieel aandeel heeft. Voorts lijkt de vos bij kuikenpredatie een minder grote rol te spelen, maar dat ka n, zoals de onderzoekers aangeven, zijn onderschat. Daarnaast is gebleken dat bij de grut­to predatie voor ongeveer 60% bijdroeg aan het totaal aan reproductieverliezen. Bij de kievit zelfs voor ongeveer 75%. Ook is in sommige weidevogelkernen een bovengemiddelde predatiedruk geconstateerd en blijkt uit de predatiekaart dat predatie in het jaar 2004 in de provincie Groningen aanzienlijk is toegenomen ten opzichte van het jaar 2000. Dit is in een deel van de weidevogelkerngebieden het geval. Variabelen en tekortkomingen in de onderzoeksmethodiek laten geen eenduidige conclusies toe. Wij achten het desalniettemin legitiem op basis van de ons ter be­schikking staande gegevens het verlenen van een ontheffing voor het doden van vossen met gebruikmaking van kunstmatige lichtbronnen te overwegen. Wij denken daarbij aan weidevogelkerngebieden, waar sprake is van planmatig weidevo­gelbeheer.

Vraag 8 Bent u op de hoogte van het feit dat enkele eenvoudige strak gespannen stroomdraadjes een stukje land uiterst effectief vos-vrij weten te houden? Wordt deze methode gebruikt bij weidevogelbeheer in onze provincie? Zo nee, bent u bereid om het gebruik hiervan in de toekomst te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord vraag 8
Ja, wij kennen het middel, maar hebben twijfels bij de toepasbaarheid van een dergelijke werende maatregel, vooral als het gaat om economische rendabiliteit, arbeidsintensiviteit, storingsgevoeligheid, landschappelijke impact en invloed op overige fauna. Deze methode wordt, voor zover wij weten dan ook niet gebruikt bij weidevogelbeheer in onze provincie. Wij zijn op voorhand niet bereid hiernaar on­derzoek te (laten) verrichten. Wij kunnen als bevoegd gezag op grond van de Flo­ra- en faunawet ontheffingen verlenen, onder andere ter bescherming van fauna (weidevogels), maar wij zien het niet primair als onze taak in dat verband onder­zoek te doen naar de toepassing van andere bevredigende oplossingen , zoals
bedoeld in artikel 68 van de Flora- en faunawet. Als een werende maatregel 'be­wezen' effectief is, zullen wij die in onze afwegingen betrekken. Het is overigens ook niet uitgesloten dat in de toekomst een dergelijk onderzoek door het Fauna­fonds wordt geïnitieerd.

Vraag 9 Een ander argument dat vaak gegeven wordt om de vos te bejagen is de be­scherming van zeeweringen. Bent u bereid:
. Een onderzoek te doen naar het graversbestendig maken van dijken? Zo nee,waarom niet?
. Ontheffingen op grond van gevaar voor zeeweringen opnieuw onder de loep te nemen? Zo nee, waarom niet?
. Een uitspraak te doen over het bejagen van gravers bij 'groene dijken'? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 9
Zie ook het antwoord op vraag 8. Verder is het zo, dat openbare veiligheid een openbaar belang is, waarbij de inzet van preventieve maatregelen (het graversbe­stendig maken van dijken) ter bevordering hiervan, financieel moet worden afge­wogen tegen andere veiligheidsbevorderende maatregelen. Wij zien geen aanlei­ding niet opnieuw een ontheffing te verlenen voor het gebruik van kunstlicht ter bestrijding van door vossen (en konijnen) aan primaire zeewaterkeringen aange­richte schade, ook niet wanneer het gaat om 'groene dijken'.

Vraag 10 Het voorstel (in een opinieartikel van André Donker van 11 oktober 2014) gaat de Partij voor de Dieren niet ver genoeg, maar zou een interessante stap in de goede richting kunnen zijn. Bent u bereid onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor een dergelijk transitie van faunabehereenheden?
Antwoord vraag 10
Nee, dat is niet onze taak. Op grond van art. 29 van de Flora- en faunawet kunnen wij een samenwerkingsverband van jachthouders erkennen als faunabeheereenheid. Deze samenwerkende jachthouders zijn op de gronden gelegen binnen het werkgebied van het samenwerkingsverband gerechtigd tot de jacht (art. 5, aanhef, Besluit Faunabeheer).

Vraag 11 In het artikel meldt Donker verder dat er vroeger v aak wildgreppels werden aange­legd en houtwallen geplaatst om landbouw en natuur te scheiden. Hoe is deze situatie in onze provincie? Worden er nog wildgreppels en houtwallen geplaatst om wilde dieren en landbouwgewassen uit elkaar te houden? Bent u bereid te onder­zoeken of hier meer gebruik van kan worden gemaakt, Zo nee waarom niet?
Antwoord vraag 11
Wij weten niet hoe vaak deze maatregelen nog worden gebruikt in onze provincie. Voor wat betreft de toepassing van preventieve maatregelen bij schade aan land­bouwgewassen, zijn de 'beleidsregels tegemoetkoming faunaschade' van het Fau­nafonds leidend bij de beoordeling van ontheffingaanvragen en het stellen van voorschriften in ontheffingen. Bij het bepalen van preventieve maatregelen speelt de effectiviteit een grote rol, alsmede de vraag wat in redelijkheid van een grond­ gebruiker kan worden verwacht. Wij zijn niet bereid onderzoek naar wildgreppels en houtwallen te verrichten. Zie verder het antwoord op vraag 8.

Vraag 12 Vossen bejagen omwille van weidevogels, zeeweringen en schade aan lammeren en kippen (in de periode 2004-2009 slechts 12 maal gemeld), lijkt gezien boven­staande informatie onnodig. Bent u bereid de ontheffing op het bejagen van vos­sen in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord vraag 12
De provinciale ontheffing voor het doden van vossen met gebruikmaking van kunstlicht is inmiddels afgelopen. Wij zijn voornemens met het oog op de door u genoemde belangen een nieuwe ontheffing te verlenen. Hierbij moet worden be­dacht, dat het bejagen van vossen overdag in verband met landbouwschade en schade aan fauna is vrijgesteld. De door ons af te geven ontheffing voor het ge­bruik van kunstmatige lichtbronnen is hierop een aanvulling, die naar onze mening de effectiviteit van de schadebestrijding vergroot. Dit zal niet per definitie leiden tot het afschot van meer vossen en zal de gunstige staat van instandhouding van de vos niet in gevaar brengen.

Vraag 13
Kunt u een overzicht verstrekken van alle dieren die tijdens de periodes 2012-13 en 2013-14 gedood zijn door jagers in de provincie Groningen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 13
Wij hebben de rapportage van de Faunabeheereenheid Groningen, over het ge­bruik van provinciale ontheffingen, met betrekking tot de periode 2012-2013 bijge­voegd, met daarin overzichtstabellen vanaf het jaar 2008. De rapportage over de periode 2013-2014 moeten wij nog ontvangen. Het aantal dieren dat gedurende de bejaagbare periode, in het kader van de jacht (dit is geen schadebestrijding) wordt geschoten behoeft niet te worden gerapporteerd en is derhalve niet bekend. Bo­vendien behoort de jacht niet tot de provinciale bevoegdheden.

Wij vertrouwen er op u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer