Verkoop aandelen Essent


Indiendatum: jun. 2009

Betreft: Vragen aan het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen

Geachte college,

Op 25 april 2009 waren onderstaande uitspraken over de verkoop van de aandelen van Essent aan RWE van gedeputeerde Calon te lezen op www.rtvnoord.nl. Tevens waren ze op www.dvhn.nl gepubliceerd op 24 april 2009.
"Volgens Calon hebben Brabantse Statenleden tegengestemd terwijl ze eigenlijk vóór zijn."
"En ondanks dat een meerderheid in de Brabantse Staten tegen heeft gestemd, is de verwachting van Calon dat de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant toch tot verkoop zullen besluiten."

Naar aanleiding hiervan wil de Partij voor de Dieren u de volgende vragen voorleggen:

1. Is de gedeputeerde juist geciteerd met de uitspraken "Brabantse Statenleden hebben tegen gestemd terwijl ze eigenlijk voor zijn" en "Ondanks dat een meerderheid in de Brabantse Staten tegen heeft gestemd, is de verwachting dat Gedeputeerde Staten de verkoop toch zullen doorzetten." Zo nee, wat heeft gedeputeerde Calon dan bedoeld? En wat heeft de gedeputeerde gedaan om de uitspraken te rectificeren?

Indien het antwoord op vraag 1 ja is, zouden wij graag antwoord krijgen op de volgende vragen:

2. Waarop baseert gedeputeerde Calon de uitspraak dat Brabantse Statenleden tegen gestemd hebben, terwijl ze eigenlijk voor de verkoop van de aandelen Essent zijn?

3. Waarop baseert gedeputeerde Calon de uitspraak dat Gedeputeerde Staten van Brabant alsnog tot verkoop over zou gaan?

4. Deelt het College de mening zoals verwoord in bovengenoemde citaten van gedeputeerde Calon?

5. Acht het College het correct dat een democratisch aangenomen motie in een duaal stelsel niet wordt uitgevoerd? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

Wij zien de spoedige beantwoording van de vragen met belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,

Namens de Statenfractie van de Partij voor de Dieren

Anja Hazekamp
Fractievoorzitter

Geachte mevrouw Hazekamp,

Bij brief van 28 april jl. zijn door u namens de Statenfractie van de Partij voor de Dieren, enkele vragen gesteld naar aanleiding van publikaties op de websites van RTV Noord en het Dagblad van het Noorden met betrekking tot uitspraken van gedeputeerde Calon in verband met de bespreking door Provinciale Staten van Noord-Brabant van het voorstel tot verkoop van de aandelen Essent aan RWE. Hieronder herhalen wij deze vragen, gevolgd door onze reacties terzake.

Vraag 1. Is de gedeputeerde juist geciteerd met de uitspraken "Brabantse Statenleden hebben tegen gestemd terwijl ze eigenlijk voor zijn" en "Ondanks dat een meerderheid in de Brabantse Staten tegen heeft gestemd, is de verwachting dat Gedeputeerde Staten de verkoop toch zullen doorzetten." Zo nee, wat heeft gedeputeerde Calon dan bedoeld? En wat heeft de gedeputeerde gedaan om de uitspraken te rectificeren?
Blijkens de genoemde publikaties heeft gedeputeerde Calon gezegd dat hij "denkt dat Gedeputeerde Staten van Brabant alsnog tot verkoop zullen overgaan" resp. "verwacht dat Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant toch tot verkoop zullen besluiten". De door u geciteerde toevoeging "ondanks dat een meerderheid in de Brabntse Staten tegen heeft gestemd", hebben wij in deze publikaties echter niet aangetroffen.

Indien het antwoord op vraag 1 ja is, zouden wij graag antwoord krijgen op de volgende vragen:

2. Waarop baseert gedeputeerde Calon de uitspraak dat Brabantse Statenleden tegen gestemd hebben, terwijl ze eigenlijk voor de verkoop van de aandelen Essent zijn?
Deze uitspraak was gebasseerd op het vermoeden van gedeputeerde Calon dat enkele van de betrokken Brabantse Statenleden niet hebben tegengestemd, omdat zij ten principale tegenstander zouden zijn van verkoop van het commerciele bedrijf van Essent, maar omdat zij het niet eens zijn met de mogelijke besteding van de verkoopopbrengst en/of een betere verankering wensten van toekomstige investeringen van RWE/Essent in duurzaamheidsprojecten. Voor de goede orde wijzen wij u er in dit verband nog op dat ook Provinciale Staten van Noord-Brabant, medio vorig jaar in meerderheid hebben ingestemd met de wijziging van de toekomststrategie van Essent NV, volgens welke het commerciele bedrijf van Essent aansluiting zou zoeken bij een sterke buitenlandse partner.

3. Waarop baseert gedeputeerde Calon de uitspraak dat Gedeputeerde Staten van Brabant alsnog tot verkoop over zou gaan?
De bevoegdheid tot definitieve besluitvorming inzake het aanbieden van provincies en gemeenten in Essent voor het bod van RWE, berust bij de betrokken colleges. Deze zullen bij hun besluitvorming over het algemeen alle op dat moment actuele en relevante overwegingen en omsandigheden in de afweging betrekken. Nadat de Brabantse Staten eind april jl. met een zeer kleine meerderheid in eerste instantie besloten tot het aannemen van een motie waarin PS aangaven het wenslelijk te achten dat GS niet zou overgaan tot vervreemding van het Brabantse aandelenbelang, mocht verwacht worden dat Essent en RWE zouden bezien of en zo ja, in hoeverre tegemoet zou kunnen worden gekomen aan enkele van de binnen de Brabantse Staten levende bezwaren. Tegen die achtergrond zijn de in januari jl. gestarte gesprekken over investeringen van RWE/Essent in duurzame energieproduktie, begin mei jl. versneld afgerond en vervolgens vastgelegd in een bindende overeenkomst. Naast de verwachting van gedeputeerde Calon zou o.a. deze ontwikkeling en het voortschrijden van de besluitvorming bij de andere aandeelhouders van Essent, aanleiding kunnen zijn voor Gedeputeerde Staten van Brabant om toch over te gaan tot verkoop.

4. Deelt het College de mening zoals verwoord in bovengenoemde citaten van gedeputeerde Calon? Het gaat hierbij o.i. niet zozeer om een mening, als wel om een verwachting. Wij kunnen de daaraan ten grondslag liggende gedachtengang volgen.

5. Acht het College het correct dat een democratisch aangenomen motie in een duaal stelsel niet wordt uitgevoerd? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?In het algemeen zijn wij van mening dat een democratisch aangenomen motie dient te worden uitgevoerd. Afhankelijk van de actualiteit van de aan een motie ten grondslag liggende overwegingen, de praktische uitvoerbaarheid daarvan en de mogelijke consequenties van uitvoering voor andere beleidsvelden en/of overheden, kunnen wij ons echter voorstellen dat daaraan door het tot besluitvorminmg bevoegde College toch niet of slechts gedeeltelijk gevolg wordt gegeven. Zulks dient per situatie te worden beoordeeld en expliciet aan de betrokken Staten te worden voorgelegd. Het is vervolgens aan deze Staten daaraan al dan niet politieke consequenties te verbinden.

Wij vertrouwen er op uw vragen met het bovenstaande voldoende te hebben beantwoord.

Hoogachtend,

Gedeputeerde Staten van Groningen

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer