Schrif­te­lijke vragen inzake gevolgen schaal­ver­groting voor buiten­gebied


Betreft: Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS ex artikel 46 RvO inzake gevolgen schaalvergroting op buitengebied.

Geacht college,

In het buitengebied zijn veel ontwikkelingen gaande, die van grote invloed zi jn op het welzijn van agrariërs. Door schaalvergroting en nieuwe richtlijnen zullen naar verwachting de komende jaren duizenden boeren stoppen. De op handen zijnde veranderingen zijn zo groot dat de NVM (Nederlandse Vereniging van Makelaars) alarm heeft geslagen, omdat in ons land 27 miljoen vierkante meter aan agrarische bebouwing functieloos leeg komt te staan[1]. Daarnaast dreigen investeringsbedrijven het platteland over te nemen.

Veel boerengezinnen komen in financiële moeilijkheden en/of hebben problemen op het gebied van erfopvolging, en daarmee samenhangend neemt ook psychosoc iale problematiek toe. Gemeentes in Gelderland en Overijssel zijn, soms samen met de provincie, op zoek naar verborgen leed bij boeren. Dit is mede ingegeven vanwege incidenten in Ruurlo en Ewijk, waar boeren honderden varkens en koeien hadden laten sterven doordat de persoonlijke problemen hen boven het hoofd waren gegroeid. [2]

De Partij voor de Dieren wil u hier graag de volgende vragen over stellen.

  1. Bent u op de hoogte van sociale/psychische problematiek op het platteland, met name onder agrariërs? Zo ja, wat is omvang? Is er al een vangnet c.q. actief beleid om mensen te helpen? Zo nee, bent u bereid samen met gemeenten een onderzoek te starten naar de aard en omvang van de problematiek, en daar vervolgens beleid op te formuleren?
  2. Heeft u mogelijke psychische, sociale en financiële nood bij agrariërs voorzien toen u instemde met het beleid voor schaalvergroting? In hoeverre gaat u bij het opstellen van toekomstig beleid rekening houden met dergelijke gevolgen?
  3. Ziet u (nieuwe) kansen om de werkgelegenheid en bestaanszekerheid onder agrariërs te vergroten, middels stimulering van kleinschalige bedrijven die zich onderscheiden op gebied van dierenwelzijn, duurzaamheid, biodiversiteit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u inzetten?
  4. Er is sinds kort een stopperregeling voor varkensboeren en in februari ging een stopperregeling voor melkveebedrijven van start. Van deze laatste is bekend dat het een doorslaggevend succes was. Kunt u ons vertellen hoeveel varkenshouders en melkveeboeren gebruik hebben gemaakt van deze mogelijkheid in onze provincie? In hoeverre leidt dit volgens u tot verdere schaalvergroting?
  5. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat verdergaande schaalvergroting in de melkveehouderij leidt tot verdere industrialisatie (met monoculturen van raaigras en snijmaïs) en daardoor voortschrijdende verschraling van de natuur?
  6. Welke visie heeft u ten aanzien van de grote hoeveelheid agrarische bebouwing die in onze provincie leeg zal komen te staan? Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat de functie van het buitengebied hiermee ook verandert en dat een functie als "wonen" meer centraal zou kunnen komen te staan? Bent u voornemens hier nieuw beleid voor te formuleren?
  7. Ziet u bij de leegstand ook kansen om iets voor de biodiversiteit te betekenen (zoals bijvoorbeeld gronden teruggeven aan natuur, ‘verwildering’ van gebouwen om habitats te creeren voor vleermuizen, kerkuilen e.d.). Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat heeft u voor ogen?

Bij voorbaat dank ik u voor uw antwoord.

Met vriendelijke groet,

Kirsten de Wrede

Partij voor de Dieren

[1] http://www.dvhn.nl/economie/NVM-pak-%E2%80%98agrarische%E2%80%99-leegstand-aan-22630004.html

[2] https://www.gelderlander.nl/achterhoek/boer-die-aan-de-grond-zit-vinden-venoacute-enoacute-r-het-drama-dat-is-de-kunst-br~a86e8421/

Antwoorddatum: 30 jan. 2018

1. Bent u op de hoogte van sociale/psychische problematiek op het platteland, met name onder agrariërs? Zo Ja, wat Is omvang? Is er al een vangnet c.q. actief beleid om mensen te helpen? Zo nee, bent u bereid samen met gemeenten een onderzoek te starten naar de aard en omvang van de problematiek, en daar vervolgens beleid op te formuleren?

Vanuit de media zijn wij ook op de hoogte van dergelijke problematiek. Wij hebben echter geen zicht op de concrete omvang van het probleem en het behoort niet tot de primaire rol van de provincie om hierop actie te ondernemen.

2. Heeft u mogelijke psychische, sociale en financiële nood bij agrariërs voorzien toen u instemde met het beleid voor schaalvergroting? In hoeverre gaat u bij het opstellen van toekomstig beleid rekening houden met dergelijke gevolgen?

Er is geen reden om aan te nemen dat de maatregelen zoals die in de Omgevingsvisie zijn opgenomen de psychische, sociale en financiële nood bij boeren groter maakt of heeft gemaakt. Wij hebben geen reden om hier specifiek rekenning mee te houden bij het ontwikkelen van het ruimtelijk beleid.

3. Ziet u (nieuwe) kansen om de werkgelegenheid en bestaanszekerheid onder agrariërs te vergroten, middels stimulering van kleinschalige bedrijven die zich onderscheiden op gebied van dierenwelzijn, duurzaamheid, biodiversiteit? Zo nee, waarom niet? Zo Ja, welke maatregelen gaat u inzetten?

Onder andere met programma's rondom biologische- en natuurinclusieve landbouw en met investerings-en subsidieregelingen om innovatie te stimuleren (bijvoorbeeld POP-regelingen), ondersteunen wij boeren bij het verduurzamen van hun bedrijf en daarmee ook een meerwaarde te creëren voor hun producten. Wij zien geen redenen om daar op dit moment nog meer op in te zetten.

4. Er is sinds kort een stopperregeling voor varkensboeren en in februari ging een stopperregeling voor melkveebedrijven van start. Van deze laatste is bekend dat het een doorslaggevend succes was. Kunt u ons vertellen hoeveel varkenshouders en melkveeboeren gebruik hebben gemaakt van deze mogelijkheid in onze provincie? in hoeverre leidt dit volgens u tot verdere schaalvergroting?
De stoppersregeling voor varkensboeren moet nog concreet worden uitgewerkt, maar te verwachten valt dat hier vooral in Noord Brabant gebruik van gemaakt zal worden. Hoeveel melkveehouders in relatie tot de fosfaatregeling gestopt zijn is bij ons niet bekend, omdat deze gegevens vertrouwelijk zijn.
Het stoppen van bedrijven zal bij omliggende bedrijven inderdaad mogelijk leiden tot uitbreiding van het bedrijfsareaal, maar de relatie tussen (het aantal) stoppers en vergroting van bedrijven is vanwege de genoemde privacy niet te achterhalen.
5. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat verdergaande schaalvergroting in de melkveehouderij leidt tot verdere industrialisatie (met monoculturen van raaigras en snijmaïs) en daardoor voortschrijdende verschraling van de natuur?
U beschrijft één van de mogelijke ontwikkelingen. Wij stimuleren, onder andere via het programma natuurinclusieve landbouw, ondernemers om hun bedrijfsontwikkeling op andere manieren aan te pakken.
6. Welke visie heeft u ten aanzien van de grote hoeveelheid agrarische bebouwing die in onze provincie leeg zal komen te staan? Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat de functie van het buitengebied hiermee ook verandert en dat een functie ais "wonen" meer centraal zou kunnen komen te staan? Bent u voornemens hier nieuw beleid voor te formuleren?
Wij zijn ons bewust van de problematiek van de vrijkomende agrarische bebouwing en werken mee aan oplossingen. Deze bebouwing is vaak beeldbepalend gelegen in het landschap.
In de Omgevingsverordening wordt hierop ingespeeld in die zin dat deze nauwelijks beperkingen kent voor hergebruik van de bebouwing, waarbij deze laatste desgewenst ook nog kan worden aangepast en uitgebreid. Landbouw is minder dan voorheen de belangrijkste drager van het buitengebied.
Wij staan hier als college niet alleen in. In het programma voor de opgave Erfgoed, ruimtelijke kwaliteit en landschap is de vrijkomende agrarische bebouwing als apart spoor benoemd door maatschappelijke organisaties, gemeenten en rijk. Wij werken samen met deze stakeholders aan strategieën om met deze problematiek om te gaan. Denk hierbij aan het voorkomen van leegstand, herbestemming en als uiterste middel sloop.
Dit neemt niet weg dat de functie wonen primair thuishoort in steden en dorpen, hetgeen ook positieve gevolgen kan hebben voor de draagkracht voor voorzieningen. Wij zijn daarom niet van plan om voorstellen te doen voor een beleidswijziging.
7. Ziet u bij de leegstand ook kansen om iets voor de biodiversiteit te betekenen (zoals bijvoorbeeld gronden teruggeven aan natuur, 'verwildering' van gebouwen om habitats te creeren voor vleermuizen, kerkuilen e.d.). Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat heeft u voor ogen?
In antwoord op vragen van de fractie van Groenlinks in 2014 heeft het toenmalige college gesteld dat "leegstaande, verwilderde gebouwen een geschikte leefomgeving kunnen vormen voor veel dieren, maar ook onveilig kunnen zijn en afbreuk kunnen doen aan de belevingswaarde van het betreffende gebied als er geen aanvullende maatregelen worden genomen". Gesteld werd toen dat er op dit gebied geen taak was voor het college en dat de afweging aan de gemeente werd gelaten.
Verwildering, van gebouwen of van gronden, is wat ons betreft nog steeds niet de beste optie. Wij geven in dit verband de voorkeur aan herbestemming en aan minder intensieve bewerking, die natuurinclusieve landbouw mogelijk maakt.
Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer