Schrif­te­lijke vragen betref­fende pluim­vee­hou­derij Rood­e­school


Geacht college,

Op 15 juni 2018 heeft de Provincie Groningen besloten tot het verlenen van een Wet Natuurbeschermingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een pluimveehouderij met 48.000 legkippen aan de Hooilandseweg 5, 9982 CA te Uithuizermeeden. Het betreft hier volgens de vergunning Wet Natuurbescherming een nieuwe pluimveehouderij. De vergunning is gebaseerd op een volièrehuisvesting met een afgesloten mestopslag, en gaat volgens onze informatie Freiland kippen huisvesten (vrije uitloop naar buiten).

De stal is gepland op ongeveer 300 meter ten westen van het dorp Roodeschool en op 4 km van het kwetsbare N2000 gebied Waddenzee. Met het waddengebied heeft de Provincie Groningen een belangrijk werelderfgoed in huis. De staat van dit kwetsbare erfgoed is over het algemeen slecht te noemen. In het rapport “Staat van de Wadden” i worden veel gebieden genoemd die zich in slechte staat bevinden en die volgens de “PAS-analyse Waddenzee ii erg gevoelig zijn voor de depositie van stikstof. Uit de vergunning Natuurbeschermingswet blijkt dat overal depositie plaatsvindt, ook op de N2000 gebieden, echter binnen de ontwikkelingsruimte.

  1. Is er volgens u sprake van intensieve veehouderij? Zo ja, waarom wordt nieuwvestiging toegestaan? Zo nee, waarop baseert u het dat dit bedrijf niet onder de intensieve veehouderij valt?
  2. Kunt u bevestigen dat u pluimveebedrijven die kippen overdag in vrije buitenuitloop houden nooit als intensieve veehouderij aanmerkt? (Voordracht 5a/2011) Kunt u bevestigen dat dit besluit dan uitsluitend gebaseerd is op de geldende provinciale definitie waarbij alleen dieren die ‘geheel of nagenoeg geheel in stallen worden gehouden’ als intensieve veehouderij aangemerkt worden? Hoe verhoudt dit zich tot de landelijk gehanteerde definities van veehouderij, waarbij grondgebondenheid een bepalende factor is? Zal deze veehouderij op enigerlei wijze aan eigen land gebonden zijn voor voerproductie?
  3. Bent u het met ons eens dat bedrijven van deze omvang grote effecten op de omgeving hebben, en dat het aan burgers moeilijk te verkopen is dat deze bedrijven wel toegestaan zijn in gebieden waar verder een verbod op nieuwvestiging van IV geldt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven of u voornemens bent beleidsmaatregelen te treffen om vergelijkbare situaties in de toekomst te voorkomen?
  4. Uit de vergunningsaanvraag blijkt niet duidelijk of de emissie van de uitloopruimte buiten ook is meegerekend. Kunt u bevestigen dat er wél naar de totale emissie is gekeken, en of de milieubelasting dan nog steeds binnen de ontwikkelruimte past? Zo nee, moet de vergunningsprocedure opnieuw doorlopen worden?
  5. Vindt het college het wenselijk om juist in dit gebied de PAS-ruimte maximaal te gebruiken? Zou het niet veel beter zijn om hier te kiezen voor het Wad en geen extra stikstofdepositie meer toe te staan?
  6. Bent u het met ons eens, dat er gewerkt moet worden aan een drastisch afbouwen van uitstoot die op enigerlei wijze een negatieve invloed heeft op de habitat in- en rond de Waddenzee en haar bewoners? Graag een gemotiveerd antwoord.
  7. In de vergunningverlening staat dat de aanvraag niet is getoetst aan het onderdeel beschermde soorten van de Wet Natuurbescherming. Mogelijk is hier een ontheffing voor nodig. Kunt u ons vertellen of een dergelijke ontheffing is aangevraagd en/of verleend? Hoe gaat u monitoren of een dergelijke ontheffing al dan niet nodig is?

Bewoners van Roodeschool maken zich grote zorgen. Zij vrezen geurhinder, geluidsoverlast, de uitstoot van fijnstof en door meer vervoerbewegingen van onder andere vrachtverkeer onveilige situaties voor hun schoolgaande kinderen. iii

De provincie wil als onderdeel van haar beleid de gezondheidseffecten als gevolg van milieufactoren terugdringen. iv Daarbij noemt zij specifiek geluid, luchtverontreiniging (fijnstof) en externe veiligheid. Ook heeft zij in haar milieuplan een speciale bijlage besteed aan de geurhinder. Het bedrijf komt op slechts 300 meter ten westen van de bebouwde kom. Bewoners vrezen veel stankoverlast, ook omdat de wind vaak uit het westen komt.

Uit het door het RIVM gepubliceerde rapport “Veehouderij en gezondheid omwonenden”v blijkt dat juist een pluimveehouderij veel fijnstof uitstoot en het onderzoek laat zien dat omwonenden van dit soort bedrijven gezondheidsrisico’s lopen. “Pluimveebedrijven stoten meer fijnstof uit dan andere veehouderijbedrijven. Mensen die in de buurt van pluimveehouderijen wonen zijn gevoeliger voor infecties. Bij omwonenden van pluimveebedrijven komen meer longontstekingen voor”.



  1. Deelt het college de zorgen van de omwonenden en de Partij voor de Dieren over de risico’s die de vestiging van een dergelijk groot bedrijf vlak naast Roodeschool met zich meebrengt? Zo nee, waarom niet?
  2. Zijn de in de vergunning genoemde technieken voor de reductie van ammoniak- en fijnstof emissies in uw optiek voldoende om te zorgen dat de gezondheid van omwonenden geen gevaar loopt? Graag een onderbouwd antwoord.
  3. Stankoverlast kan leiden tot gezondheidsklachten zoals stress, slapeloosheid, angst en depressie bij omwonenden. Bent u het met ons eens dat dergelijke overlast een dusdanige impact kan hebben op de leefbaarheid van het dorp dat de vestiging van een pluimveehouderij met 48.000 kippen hier niet zou mogen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
  4. Kan het college een inschatting geven over de hoeveelheid extra vervoersbewegingen die de komst van het bedrijf met zich mee brengt? Is de weg berekend op een toename van vrachtverkeer? Acht het college dergelijke hoeveelheden vrachtverkeer verantwoord op een plattelandsweg waar ook veel fietsende schoolkinderen gebruik van maken? In hoeverre bent u wettelijk gezien mede verantwoordelijk voor de veiligheid van deze kinderen?



Dank u wel,

met vriendelijke groet.

Ankie Voerman
Partij voor de Dieren

i https://www.waddenvereniging.nl/wv/images/PDF/pers/Staat%20van%20de%20Wadden%20ONDER%20EMBARGO.pdf

ii https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/Documenten/Pas/Vastgestelde%20gebiedsanalyses_18-12-2017/001_Waddenzee_gebiedsanalyse_15-12-17_IW.pdf

iii http://www.roodeschool.net/dorpsvisie/bezorgdheid-na-vergunningaanvraag-kippenschuur/

iv https://www.provinciegroningen.nl/loket/kaarten-en-open-data/gezondheidskaarten/

v https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/veehouderij/uitstoot-fijn-stof-pluimveebedrijven

Antwoorddatum: 26 sep. 2018

Op 15 juni 2018 hebben wij besloten tot het verlenen van een Wet-natuurbescherming-vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een pluimveehouderij met 48.000 legkippen aan de Hooilandseweg 5, 9982 CA te Uithuizermeeden. Het betreft een nieuwe pluimveehouderij met volièrehuisvesting met een afgesloten mestopslag voor Freiland kippen (met vrije uitloop naar buiten). De stal is gepland op ongeveer 300 meter ten westen van het dorp Roodeschool en op 4 km van het Natura-2000-gebied Waddenzee.

1) Is er volgens u sprake van Intensieve veehouderij? Zo Ja, waarom wordt nieuwvestiging toegestaan? Zo nee, waarop baseert u het dat dit bedrijf niet onder de intensieve veehouderij valt?

Antw. Of er wel of niet sprake is van intensieve veehouderij betreft een ruimtelijk relevant aspect dat aan de orde komt bij de beslissing van burgemeester en wethouders op de aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van de pluimveestal. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan vormt daarbij het toetsingskader. Er is nog geen aanvraag om een omgevingsvergunning voor de oprichting van de stal bij de gemeente ingediend. Als een dergelijk verzoek wel wordt ingediend zullen burgemeester en wethouders de aanvraag toetsen aan onder meer het bestemmingsplan. Wij vinden het niet opportuun om vooruitlopend op het oordeel van de gemeente ons inhoudelijk over de zaak uit te spreken. Daarbij is mede van belang dat de betrokken gronden zijn bestemd voor een "grondgebonden agrarische bedrijfsvoering". Het is in eerste instantie aan de gemeente om te bepalen of de voorgenomen bedrijfsvestiging met deze bestemming in overeenstemming is.

2) Kunt u bevestigen dat u pluimveebedrijven die kippen overdag in vrije buitenuitioop houden nooit ais intensieve veehouderij aanmerkt? (Voordracht 5a/2011) Kunt u bevestigen dat dit besluit dan uitsluitend gebaseerd is op de geldende provinciale definitie waarbij alleen dieren die 'geheel of nagenoeg geheel in stallen worden gehouden' als intensieve veehouderij aangemerkt worden? Hoe verhoudt dit zich tot de landelijk gehanteerde definities van veehouderij, waarbij grondgebondenheid een bepalende factor is? Zal deze veehouderij op enigerlei wijze aan eigen land gebonden zijn voor voerproductie?

Zie het antwoord op vraag 1.

3) Bent u het met ons eens dat bedrijven van deze omvang grote effecten op de omgeving hebben, en dat het aan burgers moeilijk te verkopen is dat deze bedrijven wel toegestaan zijn in gebieden waar verder een verbod op nieuwvestiging van IV geldt? Zo nee, waarom niet? Zo Ja, kunt u aangeven of u voornemens bent beleidsmaatregelen te treffen om vergelijkbare situaties in de toekomst te voorkomen?

Zie het antwoord op vraag 1.

4) Uit de vergunningaanvraag blijkt niet duidelijk of de emissie van de uitloopruimte buiten ook is meegerekend. Kunt u bevestigen dat er wél naar de totale emissie is gekeken, en of de milieubelasting dan nog steeds binnen de ontwikkelruimte past? Zo nee, moet de vergunningsprocedure opnieuw doorlopen worden?

Antw. In het PAS wordt zowel rekening gehouden met de emissie vanuit de stal als met emissies veroorzaakt door beweiden. Emissies vanuit beweiden zijn echter verdisconteerd in de ontwikkelingsruimte beschikbaar voor autonome ontwikkelingen binnen het PAS-systeem, terwijl emissies vanuit stalsystemen worden berekend bij de individuele vergunningaanvraag en ten laste gaan van de voor dit segment beschikbare ontwikkelingsruimte.

5) Vindt het college het wenselijk om Juist in dit gebied de PAS-ruimte maximaal te gebruiken? Zou het niet veel beter zijn om hier te kiezen voor het Wad en geen extra stikstofdepositie meer toe te staan

Antw. De PAS-partners (Rijk en provincies) hebben met het PAS gezamenlijke afspraken gemaakt over herstel, behoud en ontwikkeling enerzijds en economische ontwikkeling anderzijds ten aanzien van Natura-2000-gebieden. Hoofddoel hierbij is dat de instandhoudingsdoelstellingen van de Waddenzee niet aangetast worden. De verleende vergunning past binnen die gemaakte PAS-afspraken.

6) Bent u het met ons eens, dat er gewerkt moet worden aan een drastisch afbouwen van uitstoot die op enigerlei wijze een negatieve invloed heeft op de habitat in- en rond de Waddenzee en haar bewoners? Graag een gemotiveerd antwoord.

Antw. Ja. Het PAS voorziet in een afbouw van emissies op Natura 2000 gebieden. Zie ook het antwoord op vraag 5.

7) in de vergunningverlening staat dat de aanvraag niet is getoetst aan het onderdeel beschermde soorten van de Wet Natuurbescherming. Mogelijk is hier een ontheffing voor nodig. Kunt u ons vertellen of een dergelijke ontheffing is aangevraagd en/of verleend? Hoe gaat u monitoren of een dergelijke ontheffing al dan niet nodig is?

Antw. Vanwege de integratie van zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming in de Wet natuurbescherming, wijzen wij bij een vergunning voor gebiedsbescherming altijd op mogelijke verplichtingen in het kader van de soortenbescherming. In casu is geen ontheffing aangevraagd. Het naleven van de regelgeving op het gebied van soortenbescherming blijft een verantwoordelijkheid van initiatiefnemer. Bij overtreding van die regelgeving zal handhavend worden opgetreden.

8) Deelt het college de zorgen van de omwonenden en de Partij voor de Dieren over de risico's die de vestiging van een dergelijk groot bedrijf vlak naast Roodeschool met zich meebrengt? Zo nee, waarom niet?

Antw. Wij hebben bij het verlenen van de vergunning getoetst aan de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming heeft als doel de soorten en habitats van Natura 2000-gebieden te beschermen. Eventuele risico's of hinder voor omwonenden behoren niet tot het toetsingskader van de Wet natuurbescherming. Deze zullen aan de orde komen bij de procedure voor de omgevingsvergunning waarvoor de gemeente het bevoegde gezag is.

9) Zijn de in de vergunning genoemde technieken voor de reductie van ammoniak- en fijnstof emissies in uw optiek voldoende om te zorgen dat de gezondheid van omwonenden geen gevaar loopt? Graag een onderbouwd antwoord.

Zie het antwoord op vraag 8.

10) Stankoverlast kan leiden tot gezondheidsklachten zoals stress, slapeloosheid, angst en depressie bij omwonenden. Bent u het met ons eens dat dergelijke overlast een dusdanige impact kan hebben op de leefbaarheid van het dorp dat de vestiging van een pluimveehouderij met 48.000 kippen hier niet zou mogen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?

Zie het antwoord op vraag 8.

11) Kan het college een inschatting geven over de hoeveelheid extra vervoersbewegingen die de komst van het bedrijf met zich mee brengt? Is de weg berekend op een toename van vrachtverkeer? Acht het college dergelijke hoeveelheden vrachtverkeer verantwoord op een piattelandsweg waar ook veel fietsende schoolkinderen gebruik van maken? In hoeverre bent u wettelijk gezien mede verantwoordelijk voor de veiligheid van deze kinderen?

Zie het antwoord op vraag 8.