Betreft: Staten­vragen over het klimaat­ak­koord en natuur-inclu­sieve landbouw.


Indiendatum: jan. 2016

Groningen, 18 januari 2016

Betreft: Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS op grond van ex artikel 46 RvO betreffende het klimaatakkoord en natuur-inclusieve landbouw.

Geacht college,

Recentelijk is in Parijs een bindend klimaatakkoord gesloten.[1] In het Dagblad van het Noorden verscheen op 28 december 2015 een opinieartikel van enkele hoogleraren over het klimaatakkoord.[2] Daarin werd gesteld dat land- en tuinbouw direct en indirect (door veenoxidatie en kunstmest) verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de uitstoot van broeikasgassen. Daarentegen zou dit klimaatakkoord juist kansen bieden voor een andere vorm van landbouw, die op de lange termijn ook tot behoud van biodiversiteit en leefbaarheid bijdraagt, zoals beschreven in de recent verschenen brochure van Alterra, genaamd: "Op weg naar een natuurinclusieve duurzame landbouw".[3]

Daarin zijn harde cijfers aangedragen waaruit blijkt dat natuur inclusieve landbouw mogelijk is zonder dat dit tot noemenswaardige verminderingen van de opbrengsten leidt, terwijl dit de gezondheid van de dieren (p. 17) en de staat van natuur verbetert.

Volgens een rapport van Alterra [4] is Nederland een van de weinige landen in Europa met een per saldo CO2 emissie in de sector (p. 19). Volgens hetzelfde Alterra-rapport is door verschillende maatregelen op het gebied van grondbewerking veel winst te behalen. Als totaal van alle maatregelen zou in onze provincie, samen met Drenthe, op het gebied van CO2 vastlegging de meeste winst te behalen zijn van heel Nederland. Een groot deel van deze maatregelen wordt ook al genoemd in de eerder genoemde brochure van Alterra als zijnde gunstig voor biodiversiteit.

De Partij voor de Dieren stelt u hier graag enkele vragen over.

Bij de beantwoording van de Urgenda-vragen van D66 in uw brief van 25 september 2015, gaf u aan dat Groningen bovengemiddeld veel CO2 uitstoot.[5] Bent u het met de Partij voor de Dieren – en de Verenigde Naties - eens dat veeteelt de grootste uitstoot van broeikasgassen veroorzaakt en dat daarom een inkrimping van de veestapel wenselijk is, alleen al uit het oogpunt van de reductie van broeikasgassen? [6] Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties trekt u hieruit?

Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat er een mogelijkheid en een noodzaak is om de landbouwsector in onze provincie bij te laten dragen aan de verplichte CO2 reductie van minimaal 25% in 2020 en dat het niet alleen draait om het creëren van duurzame energiebronnen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete mogelijkheden ziet u hiertoe?

Bent u ermee bekend dat er zeer noemenswaardige CO2 vastlegging in de landbouw mogelijk is? [7] Bent u bereid de mogelijkheden van toepassing in onze provincie hiervan te onderzoeken, of bent u hier al mee bezig? Kunt u dit toelichten?

Ziet u mogelijkheden om boeren in onze provincie aan te moedigen om, volgens de methodes beschreven in voornoemde brochure van Alterra, hun bedrijfsvoering anders in te richten en het intensieve gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest in onze provincie terug te dringen en zo de voordelen ten opzichte van broeikasgassen en biodiversiteit te combineren? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Door het tegengaan van veenoxidatie middels verhoging van het waterpeil, valt eenvoudig CO2 winst te behalen. [8] Bent u bereid in meer gebieden natte natuurbraak toe te passen, zoals in het programma Valuta voor Veen gebeurt en in Noord-Holland? [9] Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat het voorts verhandelen van de verkregen emissierechten op de emissiehandel de positieve effecten voor het klimaat teniet zou doen en daarom niet wenselijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke conclusie verbindt u hieraan?

Ziet u, in het kader van het gesloten klimaatakkoord, reden om het provinciale beleid waar nodig te herzien en te komen tot maatregelen die zorgen voor een lokale kringloop van grondstoffen (waarbij het veevoer voor een groot deel lokaal wordt verbouwd en de geproduceerde mest wordt gebruikt om dit veevoer te verbouwen) zodat het kappen van regenwouden voor soja-productie voor veevoer kan worden tegengegaan en daarmee het CO2 opslagareaal in die landen niet wordt aangetast? Zo ja, hoe gaat u dit dan aanpakken? Zo nee, waarom niet?

Met vriendelijke groet,

Ankie Voerman

Partij voor de Dieren

[1] http://www.nu.nl/klimaat/4181610/belangrijkste-punten-van-klimaatakkoord-in-parijs.html

[2] Dagblad van het Noorden “Klimaatakkoord vereist duurzamere landbouw”, 28 december 2015

[3] http://www.wageningenur.nl/nl/artikel/Brochure-Op-weg-naar-een-natuurinclusieve-duurzame-landbouw.htm

[4] http://www.wageningenur.nl/nl/show/Mogelijkheden-vastleggen-koolstof-in-Nederlandse-landbouw-en-natuur.htm

[5] http://www.provinciegroningen.nl/uploads/tx_bwibabs/3081903b-88e0-4c0e-a80d-ee7b5913d91e/440346ca-1b67-4f72-a615-55e473403068:3081903b-88e0-4c0e-a80d-ee7b5913d91e/Antwoord%20op%20brief%20betr.%20energietransite%20en%20uitstoot%20van%20broeikasgassen.pdf

[6] ftp://ftp.fao.org/docrep/fao/010/a0701e/a0701e00.pdf

[7] http://www.wageningenur.nl/nl/show/Mogelijkheden-vastleggen-koolstof-in-Nederlandse-landbouw-en-natuur.htm

[8] http://www.foodlog.nl/artikel/nederland-stopt-co2-niet-zomaar-even-in-de-bodem/allcomments/

[9] http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/article/detail/3542516/2013/11/11/Veen-omhoog-CO2-omlaag.dhtml

Indiendatum: jan. 2016
Antwoorddatum: 16 feb. 2016

Geachte mevrouw Voerman,

Op 18 januari 2016 heeft u een zestal vragen gesteld aan ons op grond van ex artikel 46 RvO betreffende het klimaatakkoord en natuur-inclusieve landbouw. Hierna volgen de door u gestelde vragen en de beantwoording daarvan.

Vraag 1. Bij de beantwoording van de Urgenda-vragen van D66 in uw brief van 25 september 2015, gaf u aan dat Groningen bovengemiddeld veel C02 uitstoot. Bent u het met de Partij voor de Dieren - en de Verenigde Naties - eens dat veeteelt de grootste uitstoot van broeikasgassen veroorzaakt en dat daarom een inkrimping van de veestapel wenselijk is, alleen al uit het oogpunt van de reductie van broeikasgassen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties trekt u hieruit?

Antwoord 1: De hoge emissies vanuit de veehouderij worden in het Alterra-rapport in belangrijke mate toegeschreven aan het in gebruik nemen van bosgebieden in o.a. Latijns Amerika. Daarnaast dragen CH4- en NH3-emissies, o.a. vanuit stallen sterk bij aan het broeikaseffect. Inkrimping van de veestapel is één van de mogelijkheden om dit te voorkomen, maarzeker niet de enige. Emissiearme stallen en biogasinstallaties (waarin het gevormde CH4 weer kan worden opgevangen om daarna te worden ingezet als vervanger van fossiele brandstoffen) zijn mogelijke andere opties om de emissie van broeikasgassen vanuit de veehouderij te verminderen. Onder andere met het GVM proberen wij op verschillende manieren veehouders te stimuleren om hun bedrijfsvoering te verduurzamen. Verminderen van de emissie van broeikasgassen kan daar onderdeel van zijn. Overigens geldt conclusie die de VN trekt op mondiale schaal. Uit onderzoek in 2009 blijkt dat in Groningen de landbouw als geheel verantwoordelijk is voor 12% van de uitstoot van broeikasgassen.

Vraag 2. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat er een mogelijkheid en een noodzaak is om de landbouwsector in onze provincie bij te laten dragen aan de verplichte C02 reductie van minimaal 25% in 2020 en dat het niet alleen draait om het creëren van duurzame energiebronnen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete mogelijkheden ziet u hiertoe?

Antwoord 2. Op zichzelf zijn wij dat met u eens. Inzet op meer is in principe nodig en mogelijk. Met geld uit P0P3 en IKS kunnen wij initiatieven in die richting vanuit de sector zelf stimuleren. Daarin sturend optreden is echter maarten dele mogelijk.

Als vervolg op het onderzoek 'Landbouw en klimaat In Groningen' (CLM, 2009) laten wij dit jaar opnieuw onderzoeken wat de bijdrage van de Groningse landbouw aan de emissies van broeikasgassen is, welke bijdrage in de afgelopen jaren is geleverd aan de vermindering daarvan en welke mogelijkheden er zijn om de emissies nog verder te verminderen. Op die manier verwachten wij een bijdrage te kunnen leveren aan het optimaliseren van de inzet op C02-reductie in de landbouw.

Vraag 3. Bent u ermee bekend dat er zeer noemenswaardige C02 vastlegging in de landbouw mogelijk is? Bent u bereid de mogelijkheden van toepassing in onze provincie hiervan te onderzoeken, of bent u hier al mee bezig? Kunt u dit toelichten?

Antwoord 3. Het rapport van Alterra waar naar wordt verwezen dateert al van 2013. Veel van de maatregelen die hierin worden genoemd om C02 vast te leggen worden op diverse schaal al toegepast in de Groningse landbouwpraktijk. In de afgelopen jaren is steeds meer aandacht gekomen voor onder andere het belang van (het behoud van) organische stof in de bodem, bodemleven en rotatie. Ook waterbeheer neemt in de landbouw, en dan met name in de akkerbouw, een steeds belangrijker plaats in. Daarbij gaat het om afwatering, maar zeker ook over het vasthouden van water voor tijden van relatieve droogte. Dit is onderdeel van klimaatadaptatie (aanpassing aan de veranderingen in het klimaat). Wij ondersteunen diverse initiatieven en onderzoeken op dit gebied en stimuleren, onder andere via de AgroAgenda, de sector om dit verder op te pakken. In de komende jaren is het vooral van belang om de kennis en ervaring van de voorlopers door te geven aan het 'peloton'.

Antwoord 4. Ziet u mogelijkheden om boeren in onze provincie aan te moedigen om, volgens de methodes beschreven in voornoemde brochure van Alterra, hun bedrijfsvoering anders in te richten en het intensieve gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest in onze provincie terug te dringen en zo de voordelen ten opzichte van broeikasgassen en blodiversiteit te combineren? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4. Zie hierboven. Deels is dit ook vorm te geven in het stimuleringsproject voor biologische landbouw waarmee wij binnenkort naar buiten treden. Ook voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest geldt dat in de afgelopen jaren grote stappen gemaakt zijn in het verminderen van het gebruik en dat er nog steeds onderzoeken en projecten in die richting gaande zijn.

Vraag 5. Door het tegengaan van veenoxidatie middels verhoging van het waterpeil, valt eenvoudig C02 winst te behalen. Bent u bereid In meer gebieden natte natuurb raak toe te passen, zoals in het programma Valuta voor Veen gebeurt en in Noord-Holland? Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat het voorts verhandelen van de verkregen emissierechten op de emissiehandel de positieve effecten voor het klimaat teniet zou doen en daarom niet wenselijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, weike conclusie verbindt u hieraan?

Vraag 5. In Westerwolde wordt geprobeerd om op sommige laaggelegene landbouwpercelen grenzend aan de NNN natte natuurbraak toe te passen, gecombineerd met agrarisch natuurbeheer. Deze combinatie wordt georganiseerd door agrarisch collectief Oost, de ANOG. In dit geval kunnen natuurdoelen (akkervogelbeheer), maatregelen tegen verdroging van de NNN en maatregelen tegen veenoxidatie samengaan.

Als provincie zijn wij niet in de positie om op perceelsniveau sturend op te treden in de lokalisering van maatregelen voor agrarisch natuurbeheer. Sinds 1 januari hebben agrarische collectieven de verantwoordelijkheid voor het organiseren van het agrarisch natuurbeheer. De collectieven zijn steeds op zoek naar het combineren van geldstromen om meerdere doelen tegelijk te bedienen. Waar een beheermaatregel (zoal natuurbraak) zowel akkernatuur als behoud van veengrond kan dienen, zal de ANOG deze mogelijkheid ongetwijfeld benutten. De provincie steunt deze mogelijkheden voor synergie volop.

Het verhandelen van emissierechten is de kern van het project Valuta voor Veen, omdat het uitgangspunt is dat de opbrengstderving door maatregelen die veenoxidatie tegengaan (onder andere het verhogen van het waterpeil). Het idee is dat boeren genoegen nemen met minder opbrengsten, zodat veenoxidatie kan worden tegengegaan, maar in ruil daarvoor verhandelbare C02-rechten krijgen. Door die op de markt te brengen kunnen ze hun gederfde inkomsten (in ieder geval deels) terug verdienen.

Vraag 6. Ziet u, in het kader van het gesloten klimaatakkoord, reden om het provinciale beleid waar nodig te herzien en te komen tot maatregelen die zorgen voor een lokale kringloop van grondstoffen (waarbij het veevoer voor een groot deel lokaal wordt verbouwd en de geproduceerde mest wordt gebruikt om dit veevoer te verbouwen) zodat het kappen van regenwouden voor soja-productie voor veevoer kan worden tegengegaan en daarmee het C02 opslagareaal in die landen niet wordt aangetast? Zo Ja, hoe gaat u dit dan aanpakken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6. Op dit moment is daar geen directe reden voor. In verschillende beleidstrajecten wordt onder andere de hier genoemde lokale kringloop gestimuleerd (biologische landbouw, Versnellingsagenda melkveehouderij). In het programma Noord4bio is bovendien een traject opgenomen om te komen tot alternatieve eiwitbronnen voor veevoer. Verder zijn wij met Agrifirm in gesprek over een Green Deal rondom Nedersoja. Daarmee proberen we te bereiken dat ook in Nederland soja kan worden verbouwd, die ter vervanging kan dienen van de soja die op dit moment vanuit de Amerika's wordt aangevoerd. Er lopen op de genoemde gebieden al verschillende projecten en in het kader van P0P3 zijn er nieuwe trajecten en projecten in ontwikkeling. Voorlopig willen wij daar geen nieuwe dingen aan toevoegen. Wij zullen de komende jaren wel scherp de samenhang tussen de verschillende trajecten in de gaten houden en gaan er vanuit dat het vervolg op het CLM-onderzoek ons daarbij van dienst kan zijn.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

Gedeputeerde Staten van Groningen

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer