Partij voor de Dieren vraagt om provin­ciale bescherming van hermelijn, bunzing en wezel


Weide­vo­gel­beheer kan slecht uitpakken voor kleine marter­ach­tigen

9 maart 2020

In Groningen leven nog maar weinig hermelijnen, bunzings en wezels. De Partij voor de Dieren vraagt het College om provinciale bescherming voor deze kleine marterachtigen, en bescherming en verbetering van hun leefgebieden. Het provinciale weidevogelbeleid is mogelijk ook debet aan de achteruitgang.

Twee jaar geleden werd door de provincie een onderzoek naar het voorkomen van kleine marterachtigen uitgezet, omdat weinig bekend was over de aantallen en vestigingsplaatsen, en er geen gerichte maatregelen genomen konden worden om ze te beschermen. De uitkomsten van het onderzoek zijn alarmerend. Met name de hermelijn en bunzing lopen kans te verdwijnen uit Groningen, maar ook de wezel werd weinig waargenomen. Deze drie kleine marterachtigen werden nauwelijks gezien in agrarisch gebied. In natuurgebieden waren wel enkele waarnemingen. Statenlid Ankie Voerman: “Het is ons onduidelijk waarom de provincie de hermelijn, bunzing en wezel niet als beschermde soorten aanwijst, nu uit het onderzoek blijkt dat het daadwerkelijk slecht gaat. Een aantal andere provincies heeft ze wel een beschermde status gegeven. In Groningen mogen deze dieren nog steeds verstoord en verjaagd worden bij werkzaamheden op het platteland en in natuurgebieden, terwijl hun populaties zeer fragiel zijn.”

Voorkomen van hermelijn, bunzing en wezel vertelt veel over de kwaliteit van het agrarische landschap en natuurgebieden. Kaalslag en grootschaligheid op het platteland maken het vrijwel onmogelijk voor deze dieren om voldoende voedsel en beschutting te vinden. Door versnippering van natuur zijn er geen mogelijkheden voor dieren om zich naar andere leefgebieden te verplaatsen. De onderzoekers stellen dat de afstanden tussen natuurgebieden te groot zijn, verbindingszones te smal en bovendien te rigoureus worden gemaaid. “De provincie werkt momenteel aan plannen voor het bevorderen van natuurinclusieve landbouw. Wij vragen het College dan ook om nu gerichte maatregelen te treffen, waar zowel marters als vele andere diersoorten van kunnen profiteren. ” stelt Voerman.

De hermelijn en bunzing voelen zich thuis in natte gebieden met veel sloten, waar woelratten hun prooi vormen. Dit zijn ook de weidevogelgebieden, waar juist vaak maatregelen worden genomen om bosjes en struiken te verwijderen, waarmee ook de schuilplaatsen van marters worden vernield. De Partij voor de Dieren wil van het College weten of hier sprake is van frictie en tegengestelde belangen. Voerman: “Wij vermoeden dat weidevogelbescherming slecht uit kan pakken voor marters. Zowel passief door ingrijpen in het landschap, als actief door vangen of doden. Martersoorten eten ook uit weidevogelnesten, maar dit is geen reden om ze te bestrijden. Iedere diersoort heeft zijn plaats in het natuurlijke voedselsysteem. De mens heeft dat systeem echter grondig uit balans gebracht. Het enige antwoord daarop is om de basis te herstellen door natuur en biodiversiteit prioriteit te geven. De ene diersoort doden om de andere meer kans te geven is een perverse aanpak.”