Bijdrage actu­a­li­satie huidige omge­vings­visie en nieuwe omge­vings­ver­or­dening


22 september 2021

Voorzitter,

Zoals wij in eerdere bijdragen hebben laten weten zijn wij geen voorstander van invoering van de Omgevingswet. Decentralisatie heeft in het verleden ernstige gevolgen gehad. Denk aan de zorg, denk aan de botte bijl waarmee in de natuur werd gehakt. Wij maken ons zorgen over verdere decentralisatie van belangrijke beleidsterreinen als energievoorziening, milieu, het tegengaan van klimaatverandering en natuurbescherming. Wij vrezen dat benútten van de omgeving het gaat winnen van het beschermen. Dat harde economie het gaat winnen van kwetsbare waarden zoals een gezonde leefomgeving en een veerkrachtige natuur.

Minder sturing door provincie en Rijk betekent dat willekeur en wildgroei de kans krijgen. Regelgeving wordt verder opgesplitst en daarmee gecompliceerder. Voor bijvoorbeeld milieu heb je stevige wetten met harde normen nodig waar niet aan te tornen valt door zogenaamde integrale afwegingen. Grote nationale en internationale crises vragen om regie van provinciale en Rijksoverheid. Tot dat inzicht bent u hopelijk ook gekomen in reflectie op de stikstofcrisis, het Pfas debacle waar geen oplossing voor is gekomen, de coronapandemie. Sturing is óók nodig om te voorkomen dat wij hekkensluiter blijven als het gaat om waterkwaliteit, mest, ammoniak, afval, het behalen van natuurdoelen en behoud van biodiversiteit.

Echter, de voordracht tot start van de actualisatie zoals die nu voorligt, daar kunnen wij niet omheen. Gedwongen maar met tegenzin voorwaarts, zoals varkens tussen hekken die een vrachtwagen op moeten…. Wij zullen dan ook instemmen met de voordracht.

Wij willen de komende maanden nadrukkelijk gebruik maken van de mogelijkheid om onderwerpen aan te dragen voor de nieuwe omgevingsvisie en verordening. De Partij voor de Dieren ziet namelijk veel kansen om verbeteringen door te voeren.

• Het tegengaan van klimaatverandering kan als provinciaal belang worden vastgelegd, zodat klimaateffecten deel uit gaan maken van het afwegingskader bij elk ruimtelijk besluit.

• Wat ons betreft zou ook natuur moeten worden aangemerkt als ‘groot openbaar belang’, zodat natuurontwikkeling en -bescherming veel meer gewicht krijgt. De provincie kan dan sturen middels stevige instructieregels met doorwerking naar de gemeentelijke natuurplannen.

• De Strategische Milieuagenda moet leidend worden voor de Omgevingsvisie, de mooie ambities uitgewerkt in heldere regels.

• Het klimaat én het dierenwelzijn kan profiteren van aangescherpte regels voor intensieve veehouderij, zoals uitbreiding van de definitie ‘intensief’ voor meer bedrijfsvormen. Ook moeten achterdeurtjes worden dichtgetimmerd, die het nu nog mogelijk maken voor veehouders met slimme agrarische adviesbureaus om toch méér dieren te gaan houden.

• Het verschil tussen hobby- en bedrijfsmatig gehouden dieren moet verdwijnen door schuilmogelijkheden ook in het buitengebied mogelijk te maken. Het dierenwelzijn van álle dieren, of ze nu naast een bedrijf, in een natuurgebied of op de dijk staan, moet worden geborgd door goede ruimtelijke regels.

• Een verdere inperking van gronden met jachtrecht.

• Strikte regels voor zonneparken om verglazing van de openbare ruimte tegen te gaan. Hier ook een vraag voor de gedeputeerde: de motie toepassing zonnelader, wordt deze meegenomen in de huidige actualisatie of moeten we daar nog twee jaar op wachten?

En dan kom ik nu bij het laatste maar tevens belangrijkste punt van mijn bijdrage: het College, en onze Staten, moeten wil en durf tonen in dit proces. Keuzes willen en durven maken in de goede richting. En die richting is niets minder dan een andere invulling van onze maatschappij en onze ruimte. Waar de collectieve belangen zoals een leefbaar klimaat, een gezond milieu en een rijke biodiversiteit en natuur leidend zijn. We moeten de basis voorwaarden van ons bestaan veilig stellen. Als wij hier stevige keuzes durven te maken kan de invoering van de Omgevingswet nog tot iets goeds leiden.