Vragen betref­fende komst wolf in Groningen en onheffing reeën afschot


Indiendatum: mrt. 2015

Geacht college,

Op 15 februari verleende u een nieuwe ontheffing voor het doden van reeën, te weten 884 dieren om de verkeersveiligheid te waarborgen en 88 voor o.a. landbouwschade en het doden van zieke en gebrekkige dieren. In de ontheffing geeft u aan dat in de voorbije jaren de landbouwschade niet boven de €1400,- uit komt. Verder stelt u dat er jaarlijks enkele tientallen aanrijdingen plaatsvinden omdat de dieren wegen oversteken in hun dagelijkse trek naar gebieden om te rusten en te eten. Bejaging maakt de dieren echter extra schuw en schrikachtig, waardoor ze juist in paniek de weg op lopen en het verkeer in gevaar brengen.

Op 8 maart kwam er een wolf vanuit de provincie Drenthe Groningen binnen wandelen. Het menu van wolven bestaat voor uit ongeveer de helft uit reeën. De komst van de wolf zou het Nederlandse en Groninger ecosysteem verrijken en completeren en houdt tevens de populaties prooidieren gezond.

Wij stellen u graag de volgende vragen.

  1. Is er tijdens het afwegingsproces dat leidde tot het verlenen van de ontheffing rekening gehouden met de komst van de wolf naar Groningen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit toelichten?
  2. Bent u bereid de ontheffing te herzien met het oog op natuurlijke populatiebeperking door predatoren als de wolf? Zo ja, op welke wijze en termijn? Z o nee, waarom niet?
  3. Kent u de uitspraak van de rechtbank van Noord-Nederland, d.d. 17 april 2014, waarbij de provincie Drenthe niet aannemelijk heeft kunnen maken dat er een relatie is tussen de omvang van de reeënpopulatie en de verkeersveiligheid, en het ontheffingsbesluit nietig is verklaard?[1]
  4. Ziet u op grond van deze gegevens en de rechterlijke uitspraak voldoende aanleiding om andere gerichte maatregelen te nemen zonder afschot, waardoor veel dierenleed wordt voorkomen?

    In de ontheffing wordt gesteld:
    De inzet van preventieve maatregelen ter bevordering van de verkeersveiligheid, dat een algemeen belang is,moet worden afgewogen tegen andere middelen ter bevordering hiervan.GS stellen zich daarom op het standpunt dat er ter bevordering van de verkeersveiligheid provinciebreed geen andere bevredigende oplossingen dan populatiereducerende maatregelen bestaan. Hierbij geldt dat het treffen van andere maatregelen veelal niet voldoende effect sorteert en moeilijk te realiseren is. Bovendien geldt dat het afschot in verband met populatiebeheer ten behoeve van de verkeersveiligheid samenhangt met andere belangen, waaronder het belang van bestrijding van schade aan gewassen.’
  5. Kunt u bevestigen dat er een kostenoverweging ten grondslag ligt aan het besluit reeën te doden in het kader van de verkeersveiligheid?
  6. Bent u van mening dat het doden van reeën de meest effectieve maatregel is om aanrijdingen te voorkomen en kunt u dit toelichten?
  7. Bent u van mening dat het doodschieten van dieren geen vluchtgedrag tot gevolg heeft en als zodanig tot verkeersonveilige situaties leidt, en kunt u dit toelichten?
  8. Zijn er tijdens de looptijd van het vorige FBP nog andere maatregelen genomen om de aantallen aanrijdingen en overig valwild omlaag te brengen buiten de genoemde maatregelen in de ontheffing? Hoeveel extra uittreedplaatsen, wegdelen met wildspiegels en faunapassages zijn er tussen 2009 en 2014 gerealiseerd? Op welke wegdelen is de maximum snelheid gereduceerd met het oog op wildaanrijdingen?
  9. De schade aan gewassen door reeën is minimaal. Bent u met ons van mening dat het niet langer gerechtvaardigd is om op grond hiervan ontheffing te verlenen om reeën te doden? Zo nee, waarom niet?
  10. Waarom koppelt u afschot voor verkeersveiligheid aan het belang van landbouwschade, als de landbouwschade miniem is? Vindt u dit een te verdedigen stellingname en kunt u dit toelichten?
  11. Bent u bereid om de ontheffing hierop aan te passen en geen ontheffing meer te verlenen voor afschot van reeën in verband met (dreigende) belangrijke schade? Zo nee, kunt u beargumenteerd aangeven waarom u het doden van dieren en het veroorzaken van veel dierenleed vindt opwegen tegen de kleine bedragen die het Faunafonds uitkeerde voor schade?
  12. In 2012 gaf u in antwoord op schriftelijke vragen aan dat ‘in het kader van het nieuw op te stellen beheerplan de problematiek van de tellingen integraal bezien zou worden’. Kunt u aangeven op welke wijze u het telsysteem heeft geanalyseerd en wat hier uit is gekomen?

Met vriendelijke groet,

Kirsten de Wrede

Partij voor de Dieren

[1] http://faunabescherming.nl/fb_docs/Uitspraak%20ree%20Drenthe%202014.pdf

Indiendatum: mrt. 2015
Antwoorddatum: 1 jan. 1970

Geachte mevrouw De Wrede,

Hierbij zenden wij u de antwoorden op de door uw gestelde vragen d.d. 9 maart 2015 over de door ons verleende ontheffing tot afschot van reeën.

Vraag 1. Is er tijdens het afwegingsproces dat leidde tot het verlenen van de ontheffing rekening gehouden met de komst van de wolf naar Groningen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit toelichten?

Vraag 2. Bent u bereid de ontheffing te herzien met het oog op natuurlijke populatiebeperking door predatoren als de wolf? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 1 en 2: Nee, het ligt niet in de verwachting dat gedurende de looptijd van de ontheffing zich wolven in Groningen en omgeving vestigen zodanig dat dit een effect heeft op de populatie reeën in Groningen. Het herzien van de ontheffing is onzes inziens dan ook niet aan de orde.

Vraag 3. Kent u de uitspraak van de rechtbank van Noord-Nederland, d.d. 17 april 2014, waarbij de provincie Drenthe niet aannemelijk heeft kunnen maken dat er een relatie is tussen de omvang van de reeënpopulatie en de verkeersveiligheid, en het ontheffingsbesluit nietig is verklaard?

Vraag 4. Ziet u op grond van deze gegevens en de rechterlijke uitspraak voldoende aanleiding om andere gerichte maatregelen te nemen zonder afschot, waardoor veel dierenleed wordt voorkomen?

Antwoord vraag 3 en 4: Wij kennen de uitspraak. Wij zien op grond van deze rechterlijke uitspraak geen aanleiding om geen ontheffing voor afschot te verlenen. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat er wel degelijk een relatie is tussen reeëndichtheid en het aantal aanrijdingen. Overigens nemen wij naast afschot ook andere maatregelen, zoals het plaatsen van wildspiegels en geurmiddelen. Daardoor wordt dierenleed voorkomen doordat er minder aanrijdingen plaatsvinden. 06-HB-SG-001 De provincie Groningen werkt volgens normen die zijn vastgelegd In een handvest voor dienstverlening. Dit handvest vindt u op onze website of kunt u opvragen bij de afdeling Communicatie en Kabinet, Puhneksvoorüchtlng: 050 3164160

Vraag 5. Kunt u bevestigen dat er een kostenoverweging ten grondslag ligt aan het besluit reeën te doden in het kader van de verkeersveiligheid?

Antwoord: Uit de monitoringsgegevens van de aangereden reeën in Groningen blijkt dat reeën door de gehele provincie worden aangereden. Het is ondoenlijk om door de hele provincie in te zetten op alternatieve maatregelen. Bovendien zijn veel effectieve alternatieven, zoals bijvoorbeeld rasters, niet overal inzetbaar door aantasting van de kwaliteit van het landschap en vormen zij barrières voor overige fauna. Kosten spelen, net als bijvoorbeeld effectiviteit en landschappelijke inpasbaarheid, een rol in de keuzes die wij maken.

Vraag 6. Bent u van mening dat het doden van reeën de meest effectieve maatregel is om aanrijdingen te voorkomen en kunt u dit toelichten?

Antwoord: Reeën kennen in Nederland nauwelijks natuurlijke vijanden. Andere processen spelen een rol bij de populatieomvang zoals voedselaanbod, afschot en valwild. In onze, overwegend door landbouw in gebruik zijnde provincie, zal voedselaanbod niet snel de beperkende factor zijn. Zonder ingrepen is groei van de populatie te verwachten. Hierdoor neemt de kans op aanrijdingen met reewild toe. Dit vinden wij ongewenst en omdat er geen andere middelen zijn waarmee hetzelfde doel kan worden bereikt staan wij afschot toe als maatregel om de reewild populatie te beheren.

Vraag 7. Bent u van mening dat het doodschieten van dieren geen vluchtgedrag tot gevolg heeft en als zodanig tot verkeersonveilige situaties leidt, en kunt u dit toelichten? Antwoord: Vluchtgedrag komt bij het doodschieten van reeën weinig voor. Zeker bij aanzitjacht is hiervan geen sprake. Afschot van reewild leidt doorgaans dan ook niet tot verkeersonveilige situaties.

Vraag 8. Zijn er tijdens de looptijd van het vorige FBP nog andere maatregelen genomen om de aantallen aanrijdingen en overig valwild omlaag te brengen buiten de genoemde maatregelen in de ontheffing? Hoeveel extra uittreedplaatsen, wegdelen met wildspiegels en faunapassages zijn er tussen 2009 en 2014 gerealiseerd? Op welke wegdelen is de maximum snelheid gereduceerd met het oog op wildaanrijdingen? Antwoord: Naast de in de ontheffing genoemde alternatieve maatregelen zijn er weinig andere maatregelen genomen. Dit heeft alles te maken met de diffuse verspreiding van de aanrijdingen in onze provincie. Daar is het lastig passende alternatieven in te zetten. In de afgelopen periode zijn in de kanalen Van Starkenborghkanaal, Eemskanaal, Winschoterdiep en Noord Willemskanaal enkele tientallen uittreedplaatsen aangelegd. Aanleg van uittreedplaatsen vindt plaats in de cyclus van het vervangen van de boordvoorziening (beschermingsvoorziening tegen afkalven van de oevers zoals bijvoorbeeld een damwand). Daarnaast zijn enkele oevers voorzien van stortsteen. Hier is uittreden vaak over de gehele lengte van het kanaal mogelijk. De afgelopen jaren zijn er enkele faunapassages aangelegd voor diverse diersoorten. Reeën maken overigens niet graag gebruik van faunapassages. Op onze wegen is de maximum snelheid niet aangepast in het kader van wildaanrijdingen. Gezien de doelstelling en het karakter van deze wegen is dit niet gewenst.

Vraag 9. De schade aangewassen door reeën is minimaal. Bent u met ons van mening dat het niet langer gerechtvaardigd is om op grond hiervan ontheffing te verlenen om reeën te doden? Zo nee, waarom niet?

Vraag 10. Waarom koppelt u afschot voor verkeersveiligheid aan het belang van landbouwschade, als de landbouwschade miniem is? Vindt u dit een te verdedigen stellingname en kunt u dit toelichten?

Vraag 11. Bent u bereid om de ontheffing hierop aan te passen en geen ontheffing meer te verlenen voor afschot van reeën in verband met (dreigende) belangrijke schade? Zo nee, kunt u beargumenteerd aangeven waarom u het doden van dieren en het veroorzaken van veel dierenleed vindt opwegen tegen de kleine bedragen die het Faunafonds uitkeerde voor schade?

Antwoord vraag 9,10 en 11: De ontheffing voor populatiebeheer van reeën is met name verleend met het oog op de verkeersveiligheid. Met het populatiebeheer dat de afgelopen jaren is uitgevoerd op grond van de eerdere provinciale reeënontheffingen, is de populatie reeën vrij stabiel gebleven en is ook de landbouwschade binnen de perken gebleven. Omdat met het afschot gedurende bepaalde periodes in het kader van populatiebeheer echter niet alle gewassenschade kan worden voorkomen of bestreden, hebben wij het op grond van de ontheffing ook mogelijk gemaakt, om buiten deze periodes de incidenteel optredende landbouwschade, zoals die kan voorkomen in de bollenteelt en fruitboomgaarden, te kunnen bestrijden middels afschot.

Vraag 12. In 2012 gaf u in antwoord op schriftelijke vragen aan dat 'in het kader van nieuw op te stellen beheerplan de problematiek van de tellingen integraal bezien zou worden'. Kunt u aangeven op welke wijze u het telsysteem heeft geanalyseerd en wat hier uit is gekomen?

Antwoord: Wij zullen het telsysteem niet zelfstandig herzien. Dit gebeurt in opdracht van de Faunabeheereenheid (Fbe). De Fbe werkt hieraan maar heeft dit nog niet kunnen afronden. Omdat wij niet graag zien dat het aantal verkeersslachtoffers toeneemt hebben wij er voor gekozen een ontheffing te verlenen ten gunste van de verkeersveiligheid. Deze ontheffing heeft een looptijd van een jaar in tegenstelling tot de gebruikelijke vijfjaar. De verwachting is dat binnen dit jaar de Fbe een nieuwe plan heeft ontwikkeld om daar waar nodig reeën te beheren. In dit plan moet ook de telwijze, indien deze niet geschikt is, herzien zijn.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend, Gedeputeerde Staten van Groningen.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer