Schrif­te­lijke vragen inzake bouw kind­centrum Woldwijck 2 Hoogezand


Betreft: Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS ex artikel 46 RvO betreffende bestemmingsplanwijziging t.b.v. kindcentrum Woldwijck 2 te Hoogezand.

Geacht college,

De ontwerpfase voor de bouw van kindcentrum Woldwijck 2 aan de Zuiderkroon te Hoogezand roept om diverse redenen weerstand op bij o.a. omwonenden. Een van de kritiekpunten is het verdwijnen van een recreatie/sportveld annex buurtontmoetingsplek, en de aantasting van het achtergelegen bos. Gegeven de adviserende en ondersteunende rol die de provincie heeft in deze plannen stellen wij u graag de volgende vragen.

  1. In de voorgenomen bestemmingsplanwijziging wordt de bestemming bos gewijzigd in een maatschappelijke bestemming. In de correspondentie tussen gemeente en provincie wordt met geen woord gerept over het bos en speelterrein dat verloren gaat, laat staan over compensatie. Hoe kunt u in deze tijd van alarmerend teruglopende biodiversiteit, klimaatverandering en breed gedeelde zorgen over de minieme tijd die kinderen nog buiten spelen, rechtvaardigen dat er een natuur/voedsel/speelbos moet verdwijnen? Heeft u stappen ondernomen om de gemeente en initiatiefnemers te overtuigen een andere locatie te kiezen, en zo ja, kunt u uw ingenomen standpunt toelichten?
  2. U stelt in antwoord op onze technische vragen dat de gemeente Midden-Groningen ‘De ladder voor duurzame verstedelijking’ heeft toegepast bij het komen tot de voorkeurslocatie aan de Zuiderkroon. a. Hoe verhoudt dit zich tot de constateringen van omwonenden, dat er wel degelijk inbreidingsmogelijkheden zijn binnen de stad? b. Uit het voorontwerp bestemmingsplan[1] blijkt dat er zes alternatieve locaties mogelijk zijn. Er wordt echter gesteld: ‘Uit de analyse blijkt dat de locatie aan de Zuiderkroon als beste naar voren komt om het beoogde programma te realiseren. Daarbij speelt ook dat voor andere potentiële locaties goede alternatieve invullingen denkbaar zijn.’ Kunt u uiteenzetten waarom bos- en recreatiegebied moet wijken voor ‘goede alternatieve invullingen’ van de andere locaties?
  3. Bent u het met ons eens dat dit een puur economisch geinspireerde denkwijze is, die voorbij gaat aan immateriële, maar daardoor niet minder belangrijke, zaken zoals het verlies aan natuur en buitenspeel- en ontmoetingsmogelijkheden?
  4. In een eerder uitgevoerde verkenning werd veel waarde gehecht aan de overgang van stedelijk gebied naar bos, met als resultaat dat de locatie Zuiderkroon niet geschikt werd bevonden. Kunt u uiteenzetten waarom de gemeente de groene stadsrand enkele jaren later ineens als niet meer zo relevant ziet, en heeft u over dit specifieke punt overleg gevoerd met de gemeente?
  5. Bent u het met ons eens dat het op deze wijze toepassen van ‘de ladder’, ondanks (of dankzij…) stedebouwkundige analyses, er wel heel gemakkelijk delen van het buitengebied worden opgeofferd? Bent u bereid om aanvullende regelgeving op te stellen voor de Verordening Ruimte, waarbij:

a. stedelijke ontwikkeling niet ten koste mag gaan van bestaand bos;

b. stedelijke ontwikkeling niet ten koste mag gaan van aangewezen speel- en recratieterreinen;

c. voor alle stedelijke ontwikkeling in het buitengebied ruimhartige compensatie verplicht wordt gesteld, die voorafgaand aan de werkzaamheden dient te zijn gerealiseerd?

Graag een gemotiveerd antwoord per onderdeel.

6.Indien de plannen doorgang vinden, hoe is dan momenteel de compensatie geregeld voor het deel van het bos dat verloren gaat, en voor het speelveld? Hoe wordt gegarandeerd dat er voor de omwonenden in de nabijheid compensatie plaatsvindt, en niet elders? Bent u bereid hiertoe strenge eisen voor de gemeente op te stellen? Zo nee, waarom niet?

7.Omwonenden constateren dat de woelmuis in het gebied leeft, dit is een zwaar beschermde soort. Echter uit de quickscan maken wij op dat er slechts algemene diersoorten zouden leven, en er dus ook geen ontheffing nodig is. Bent u bereid om de gemeente op te roepen opnieuw ecologisch onderzoek te laten doen, en/of ecologen van de provincie het gebied te laten onderzoeken, aangezien verstoring van het leefgebied van een woelmuis een overtreding van de Wnb is? Zo nee, waarom niet?

8. Kunt u aangeven hoe de controle op bebroede nesten in zijn werk gaat? Is dit uitsluitend gebaseerd op een enkel veldbezoek? Kunnen hierin ook waarnemingen van derden worden betrokken? Wij hebben inmiddels begrepen dat meldingen van burgers over broedende vogels niet als ‘bewijs’ kunnen worden aangevoerd in deze. Is dit volgens u een correcte werkwijze, dat slechts een waarneming van een ecoloog die het gebied incidenteel bezoekt, ‘geldig’ is, en kunt u dit toelichten?

9. De gemeente maakt gebruik van een ecologische basiskaart uit 2007. Bent u van mening dat een dergelijk gedateerde kaart nog als uitgangspunt kan dienen voor het bepalen van ecologische waarden, en als basis voor het veldbezoek? Zo ja, kunt u dit toelichten? Bent u bereid om alle gemeenten te verplichten om bijvoorbeeld elke 5 jaar een nieuwe ecologische basiskaart te laten opstellen? Zo nee, waarom niet?

Dank u wel,

met vriendelijke groet,

Ankie Voerman

Partij voor de Dieren



[1] https://www.midden-groningen.nl/data/publicatie-website/bestemmingsplan-hoogezand-kindcentrum-woldwijck-2/BP%20Hoogezand%2C%20Kindcentrum%20Woldwijck%202%20-%20Toelichting.pdf?_dc=1554275340192&_dc=1554275340212

Antwoorddatum: 12 jul. 2019

Datum 12 juli 2019

Documentnr. 2019-061418/28/A.21

Dossiernummer K13623

Behandeld door A. Wiechertjes

Geachte mevrouw Voerman,

U heeft ons een aantal vragen gesteld over de bouw van een kindcentrum aan de Zuiderkroon in Hoogezand.

Alvorens op uw vragen in te gaan, brengen wij het volgende onder uw aandacht.

In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening hebben de gemeente, de provincie en het rijk elk een eigen verantwoordelijkheid. Om deze verantwoordelijkheid waar te kunnen maken beschikt elke bestuurslaag over eigen instrumenten. De toedeling van deze instrumenten is gebaseerd op het uitgangspunt dat verantwoordelijkheden worden gelegd bij de bestuurslaag die daarvoor het meest geschikt is (decentraal wat kan, centraal wat moet). Dat betekent dat de gemeente in beginsel het aangewezen niveau is om de functie en gebruiksmogelijkheden van gronden - met het oog op een goede ruimtelijke ordening - te verankeren in bestemmingsplannen. De gemeenteraad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen.

Daarnaast moet het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voldoen aan het recht, waaronder de beginselen van behoorlijk bestuur. Dat betekent dat het besluit gebaseerd moet zijn op voldoende kennis over de relevante feiten en belangen en deugdelijk moet worden gemotiveerd. Daarnaast mogen de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Indien de verantwoordelijkheid om een ruimtelijk belang te behartigen het gemeentelijke niveau naar aard en schaal overstijgt, kunnen de provincie en het rijk die verantwoordelijkheid aan zich trekken. Zo kunnen Provinciale Staten ter behartiging van provinciale belangen onder meer regels stellen over de inhoud van bestemmingsplannen. Deze regels moeten bij de vaststelling van een bestemmingsplan in acht worden genomen. In de Wet ruimtelijke ordening is voorzien in een vorm van preventief toezicht van de provincie op bestemmingsplannen. Dit betreft onder meer het (verplicht) overleg met de provinciale ambtelijke dienst bij de voorbereiding van een bestemmingsplan. Doel van dit toezicht is om te voorkomen dat provinciale ruimtelijke belangen worden geschaad. De Omgevingsverordening vormt daarvoor het kader.

Hierna beantwoorden wij uw schriftelijke vragen over bovengenoemd onderwerp, zoals u die ons heeft gesteld in uw brief van 18 juni 2019.

1. In de voorgenomen bestemmingsplanwijziging wordt de bestemming bos gewijzigd in een maatschappelijke bestemming. In de correspondentie tussen gemeente en provincie wordt met geen woord gerept over het bos en speelterrein dat verloren gaat, laat staan over compensatie. Hoe kunt u in deze tijd van alarmerend teruglopende biodiversiteit, klimaatverandering en breed gedeelde zorgen over de minieme tijd die kinderen nog buiten spelen, rechtvaardigen dat er een natuur/voedsel/speelbos moet verdwijnen? Heeft u stappen ondernomen om de gemeente en initiatiefnemers te overtuigen een andere locatie te kiezen, en zo ja, kunt u uw ingenomen standpunt toelichten?

De voorgenomen bouw van een kindcentrum betreft een ontwikkeling die voorziet in een plaatselijke behoefte en qua omvang en impact op de omgeving van lokale schaal is waarbij geen gemeente overstijgende belangen in het geding zijn. Dat betekent in dit geval dat de gemeenteraad ruimte heeft om te beoordelen of het project in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Indien de gemeenteraad meent dat dat het geval is, kan hij van zijn bevoegdheid tot vaststelling van het bestemmingsplan gebruik maken. Daarbij dienen alle betrokken belangen te worden afgewogen. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Daarnaast moet het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan voldoen aan het recht, waaronder de Wet natuurbescherming.

2. a) U stelt in antwoord op onze technische vragen dat de gemeente Midden-Groningen ‘De ladder voor duurzame verstedelijking’ heeft toegepast bij het komen tot de voorkeurslocatie aan de Zuiderkroon. Hoe verhoudt dit zich tot de constateringen van omwonenden, dat er wel degelijk inbreidingsmogelijkheden zijn binnen de stad?

De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hierin is bepaald dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat de toelichting eveneens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Met de ladder voor duurzame verstedelijking is beoogd ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen. Doel is te bewerkstelligen dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen. Daarbij kan de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt worden betrokken. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor. Het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

b) Uit het voorontwerp bestemmingsplan blijkt dat er zes alternatieve locaties mogelijk zijn. Er wordt echter gesteld: ‘Uit de analyse blijkt dat de locatie aan de Zuiderkroon als beste naar voren komt om het beoogde programma te realiseren. Daarbij speelt ook dat voor andere potentiële locaties goede alternatieve invullingen denkbaar zijn.’ Kunt u uiteenzetten waarom bos- en recreatiegebied moet wijken voor ‘goede alternatieve invullingen’ van de andere locaties?

Dit is een gemeentelijke afweging. Zie het antwoord op vraag 1.

c) Bent u het met ons eens dat dit een puur economisch geïnspireerde denkwijze is, die voorbij gaat aan immateriële, maar daardoor niet minder belangrijke, zaken zoals het verlies aan natuur en buitenspeel- en ontmoetingsmogelijkheden?

Zie het antwoord op vraag 1.

2. ln een eerder uitgevoerde verkenning werd veel waarde gehecht aan de overgang van stedelijk gebied naar bos, met als resultaat dat de locatie Zuiderkroon niet geschikt werd bevonden. Kunt u uiteenzetten waarom de gemeente de groene stadsrand enkele jaren later ineens ais niet meer zo relevant ziet, en heeft u over dit specifieke punt overieg gevoerd met de gemeente?

Zie het antwoord op vraag 1. Wij hebben hierover geen overleg gevoerd met de gemeente.

3. Bent u het met ons eens dat het op deze wijze toepassen van ‘de ladder’, ondanks (of dankzij...) stedebouwkundige analyses, er wel heel gemakkelijk delen van het buitengebied worden opgeofferd? Bent u bereid om aanvullende regelgeving op te stellen voor de Verordening Ruimte, waarbij:

a. stedelijke ontwikkeling niet ten koste mag gaan van bestaand bos;

b. stedelijke ontwikkeling niet ten koste mag gaan van aangewezen speel- en recreatieterreinen;

c. voor alle stedelijke ontwikkeling in het buitengebied ruimhartige compensatie verplicht wordt gesteld, die voorafgaandaan de werkzaamheden dient te zijn gerealiseerd? Graag een gemotiveerd antwoord per onderdeel.

Nee. Wij zijn van mening dat de huidige omgevingsverordening bestaand bos voldoende beschermt. Voor wat betreft speel- en recreatieterreinen en compensatie verwijzen wij naar het antwoord op vraag 1.

4. Indien de plannen doorgang vinden, hoe is dan momenteel de compensatie geregeld voor het deel van het bos dat verloren gaat, en voor het speelveld? Hoe wordt gegarandeerd dat er voor de omwonenden in de nabijheid compensatie plaatsvindt, en niet elders? Bent u bereid hiertoe strenge eisen voor de gemeente op te stellen? Zo nee, waarom niet?

De gemeente is de aangewezen bestuurslaag om deze belangen af te wegen. Daarom is er geen noodzaak dat de provincie daarover eisen stelt. Aanvullend verwijzen wij naar het antwoord op vraag 1.

5. Omwonenden constateren dat de woelmuis in het gebied leeft, dit is een zwaar beschermde soort. Echter uit de quickscan maken wij op dat er slechts algemene diersoorten zouden leven, en er dus ook geen ontheffing nodig is. Bent u bereid om de gemeente op te roepen opnieuw ecologisch onderzoek te laten doen, en/of ecologen van de provincie het gebied te laten onderzoeken, aangezien verstoring van het leefgebied van een woelmuis een overtreding van de Wnb is? Zo nee, waarom niet?

Nee. De woelmuis is een verzamelnaam voor een familie. In Nederland komen zes soorten (inheemse) woelmuizen voor, waarvan alleen de Noordse woelmuis een zwaardere bescherming kent. De Noordse woelmuis wordt Europees beschermd en dit is in Nederland verankerd in de Wet natuurbescherming. De Noordse woelmuis is een soort met een specifiek voorkeursbiotoop, zoals natte terreinen, en met een beperkt verspreidingsgebied in het noordwesten, westen en zuidwesten van het land. In de provincie Groningen komt de soort dan ook niet voor. Binnen het plangebied kan de soort dan ook uitgesloten worden. De andere woelmuizen, waarvan mogelijk een aantal wel in het plangebied voor kan komen, zijn nationaal beschermd en vallen onder het beschermingsregime andere soorten. Deze soorten zijn in de 'Verordening natuurbescherming' binnen de provincie Groningen vrijgesteld bij de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals in deze situatie het geval is. Het gaat hier om algemene soorten die niet in hun voortbestaan worden bedreigd en waarvoor dan ook geen ontheffing of nader onderzoek noodzakelijk is.

6. Kunt u aangeven hoe de controle op bebroede nesten in zijn werk gaat? Is dit uitsluitend gebaseerd op een enkel veldbezoek? Kunnen hierin ook waarnemingen van derden worden betrokken? Wij hebben inmiddels begrepen dat meldingen van burgers over broedende vogels niet als ‘bewijs’ kunnen worden aangevoerd in deze. Is dit volgens u een correcte werkwijze, dat slechts een waarneming van een ecoloog die het gebied incidenteel bezoekt, ‘geldig’ is, en kunt u dit toelichten?

Wij vinden het een correcte werkwijze dat slechts een waarneming van een ecoloog geldig is.

De begeleidende ecologisch deskundige bepaalt of en hoe een controle op bebroede nesten in zijn werk gaat.

Dit verschilt per situatie en hier kan één veldbezoek aan te pas komen of meerdere. Dit is afhankelijk van hoe het terrein er uit ziet. In het veld bepaalt de ecologisch deskundige wat afdoende is om broedende vogels op te sporen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (onderdeel van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) hanteert een definitie voor een ecologisch deskundige. Iedereen die aan deze definitie voldoet, wordt erkend als ecologisch deskundige. Meldingen van burgers worden door de ecologisch deskundige (of inspecteur) gecontroleerd. De constatering in het veld door de ecologisch deskundige vormt vervolgens de bewijslast. Bewijslast van derden, die niet ecologisch deskundig zijn, zijn juridisch niet geldig/houdbaar en kan niet als juridische bewijslast gelden.

7. De gemeente maakt gebruik van een ecologische basiskaart uit 2007. Bent u van mening dat een dergelijk gedateerde kaart nog als uitgangspunt kan dienen voor het bepalen van ecologische waarden, en als basis voor het veldbezoek? Zo ja, kunt u dit toelichten? Bent u bereid om alle gemeenten te verplichten om bijvoorbeeld elke 5 jaar een nieuwe ecologische basiskaart te laten opstellen? Zo nee, waarom niet?

Ja. Wij vinden dat een kaart uit 2007 nog kan worden gebruikt voor ecologisch onderzoek. De betreffende basiskaart kan waardevolle informatie bevatten, bijvoorbeeld dat een beschermde en/of bijzondere soort al langer in een gebied voorkomt. Deze gegevens kunnen dan meegenomen worden tijdens een onderzoek. Op grond van deze basiskaart kunnen echter geen soorten uitgesloten worden. Er dient dan ook altijd actualiserend onderzoek uitgevoerd te worden. Dat is in dit geval gedaan. Er zijn ook andere actuelere bronnen geraadpleegd.

Nee. Wij kunnen gemeenten niet verplichten om elke vijf jaar een nieuwe ecologische basiskaart te laten maken. De gemeente (of de betreffende initiatiefnemer) dient altijd voorafgaand aan een ontwikkeling of activiteit onderzoek uit te (laten) voeren naar de aanwezigheid van beschermde soorten en de gevolgen van een ontwikkeling of activiteit op deze soorten. Dit onderzoek kan men per ontwikkeling uitvoeren of op grote schaal, zoals een ecologische basiskaart. Welke methode het beste past, verschilt per ontwikkeling of activiteit en is niet juridisch vastgelegd.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

Gedeputeerde Staten van Groningen