Aanvul­lende staten­vragen over vervuiling COA terrein


Indiendatum: mrt. 2017

Groningen, 13 maart 2017

Betreft: Aanvullende Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS ex artikel 46 RvO betreffende de mogelijke vervuiling van de ondergrond op de COA-locatie in Ter Apel aan de Ter Apelervenen 5; dit n.a.v. gezondheidsklachten van COA personeel.

Geacht college,

Op 31 januari 2017 ontvingen wij van u de antwoorden op onze schriftelijke vragen over gezondheidsklachten van COA personeel in een specifiek kantoorgebouw in Ter Apel. Het betreft hier een kantoor binnen het zogenaamde masterplan, gebouwd vanaf 2013. Inmiddels zijn ons via klokkenluiders en de pers verontrustende berichten ter ore gekomen. Zo schreef RTV Noord op 23 februari jl. dat bodemverontreiniging in Ter Apel op en rond het huidige AZC nooit voortvarend is opgepakt. i Ook het Dagblad van het Noorden komt in de krant van 11 maart jl. in een zeer uitgebreid artikel en na een eigen onderzoek tot diezelfde conclusie.

Een eigen onderzoek door middel van het lezen van de aanwezige dossiers op woensdag 1 maart 2017 in het Provinciehuis te Groningen bevestigt in de ogen van de Partij voor de Dieren het verhaal van RTV Noord en het Dagblad van het Noorden en meer dan dat.

U stuurde ons met de beantwoording van de vragen van 31 januari jl. een rapport mee van Dura Vermeer Milieu B.V. uit 2011. Het betrof hier een verkennend bodemonderzoek. U komt aan de hand van dit rapport tot de conclusie dat de kwaliteit van de grond voldoet aan de eisen die gesteld worden aan het gebruik van de bodem voor wonen met tuin. Het onderzoek richt zich hier op het genoemde masterplan. We wachten met spanning de resultaten af van het onderzoek, gedaan in opdracht van de COA op hetzelfde deel van het terrein.

De vervuilingen genoemd in het artikel van RTV Noord en waarop wij in de dossiers een bevestiging hebben gevonden, bevinden zich verspreid over de COA locatie. We willen ons met onze vragen met name concentreren op de laatste ons bekende onderzoeken op het terrein AZC Ter Apel, gedaan door de Royal Haskoning DHV op 5 september 2013 en in mei 2014. In het eerste rapport zijn ook de resultaten uit vorige onderzoeken meegenomen.

De Partij voor de Dieren heeft de volgende vragen:

  1. In de directe omgeving van het AZC (80 m ten westen ervan) is een ernstige Arseenverontreiniging aangetroffen in het grondwater (Onderzoek 1996). Een sanering daarvan heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd. Omdat er geen menselijke bron bewezen kon worden, gaat men er vanuit dat de bron een natuurlijke is. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat deze met Arseen vervuilde locatie goed en blijvend moet worden gemonitord en zo mogelijk moet worden afgebakend? Zo ja, hoe wordt dat gerealiseerd? Indien uw antwoord nee is, waarom niet?
  2. De Partij voor de Dieren heeft grote twijfels over een gedegen historische onderzoek over gebruik en dumpingen in het verleden. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat men pas gericht kan onderzoeken op vervuilingen als bekend is wat de aard was van dumpingen van afval en de aard van de industriële en/of landbouwwerkzaamheden (van bijv. de NAVO of de aardappelteelt) op het terrein? En klopt het dat nooit is onderzocht welke bedrijven afval hebben gestort op het terrein? Zo ja, waarom is dat niet onderzocht/bekend?
  3. Klopt het dat de verschillende bodemonderzoeken volgens een beperkt standaardpakket zijn gelopen? Zo ja, waarom is er niet voor een zeer uitgebreid pakket gekozen?
  4. Op blz. 12 en 13 van het rapport wordt gesproken over de zintuigelijk waarneembare vervuilingen. Op veel locaties op het terrein is puin aangetroffen. Optisch volgens de Royal Haskoning zou er geen sprake zijn van asbestverdachte materialen. Echter merkt de onderzoeker op, dat het uitgevoerde onderzoek geen onderzoek conform de NEN 5707 of NEN 5897 betreft, welke specifiek is bedoeld voor onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in grond of puin. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens, dat gezien de intensieve aard van bewoning door asielzoekers op het terrein, het zeer wenselijk is dat er een gedegen onderzoek plaatsvindt op de aanwezigheid van asbest tussen het aanwezige puin? Ook omdat uit een analyse van de puinfundatie van de aanwezige asfaltweg blijkt dat deze wel asbestverdacht is?
  5. Hebben er tijdens de bouw van het masterplan of op enig ander moment graafwerkzaamheden plaatsgevonden waardoor mensen mogelijk bloot gesteld zijn aan asbestvezels? Als uw antwoord nee is, kunt u dan duidelijk maken hoe u dat weet?
  6. Op een specifieke locatie op het terrein werd slakkenhoudende grond aangetroffen. De grond blijkt boven de interventiewaarde verontreinigd met barium. Een aanvullend onderzoek gedaan in 2014 bevestigd dat. Bij boring 52 en 54 worden slakken aangetroffen in de grond. Barium in peilbuis 51 is boven interventiewaarde en alle andere buizen boven de streefwaarde. Uit onderzoeksresultaten blijkt dat er meer dan 100 m3 grondwater sterk verontreinigd is met barium, zodat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. (blz. 15). Aanbevolen wordt om in overleg met het bevoegde gezag (Provincie) te komen tot vervolgstappen. Kunt u ons vertellen wat u met deze aanbeveling heeft gedaan?
  7. Over het algemeen wordt gesproken over lichte tot matige vervuiling van de grond (op veel plaatsen) en zo hier en daar sterk verontreinigd. Allerlei zware metalen spelen daarbij een rol. Waarom is er niet voortvarend voor sanering gekozen, vooral ook omdat intensieve bewoning door mensen het doel was en is van dit terrein?
  8. Kunt u aangeven of de mogelijkheid bestaat dat mensen in contact zijn geweest met Arseen of Barium, bijvoorbeeld door het oppompen ervan?
  9. Het rapport sluit af met de opmerking, dat de bodem geschikt is voor het huidige gebruik. Kunt u de Partij voor de Dieren duidelijk maken hoe een dergelijke conclusie getrokken kan worden? Kan er gegarandeerd worden, dat de mensen niet ziek worden van de vervuilingen op het terrein? Waarom wordt er in verschillende rapporten wel bewoning toegestaan, maar geen moestuin? Hoe gaat dat in uw optiek samen met de veiligheid van de asielzoekers en de werknemers op het terrein?
  10. Vindt u het een optie om daar waar kinderen spelen uit voorzorg een leeflaag aan te brengen van 50 cm?

Bij voorbaat dank ik u voor uw antwoord.


Met vriendelijke groet,

Ankie Voerman,

Partij voor de Dieren

i http://www.rtvnoord.nl/nieuws/174562/Reconstructie-bodemverontreiniging-Ter-Apel-nooit-voortvarend-aangepakt

Indiendatum: mrt. 2017
Antwoorddatum: 31 mrt. 2017

Datum: 14 april 2017
Briefnummer: 2017-14.217/15/A.23 679769
Antwoord op: uw brief van 13 maart 2017
Onderwerp: aanvullende schriftelijke vragen betreffende de mogelijke vervuiling van de ondergrond op de COA-locatie Ter Apelervenen 5 in Ter Apel n.a.v. gezondheidsklachten COA-personeel

Geachte mevrouw Voerman,

In uw bovengenoemde brief heeft u aanvullende vragen gesteld over de mogelijke vervuiling van de ondergrond op de COA-locatie Ter Apel. In deze brief beantwoorden wij uw vragen.

Vraag 1. In de directe omgeving van het AZC (80 m ten westen ervan) is een ernstige Arseenverontreiniging aangetroffen in het grondwater (Onderzoek 1996). Een sanering daarvan heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd. Omdat er geen menselijke bron bewezen kon worden, gaat men er vanuit dat de bron een natuurlijke is. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat deze met Arseen vervuilde locatie goed en biijvend moet worden gemonitord en zo mogelijk moet worden afgebakend? Zo ja, hoe wordt dat gereaiiseerd? indien uw antwoord nee is, waarom niet?
Antwoord: Met ons besluit van 28 januari 1997 hebben wij destijds vastgesteld dat het hier een ernstig niet urgent geval van bodemverontreiniging betreft. Er is toen geconstateerd dat er géén actuele humane, ecologisch en/of verspreidingsrisico's zijn. Er zijn in de tussentijd geen nieuwe gegevens beschikbaar gekomen om dit besluit uit 1997 te herzien. Dit betekent dat wij het ook niet noodzakelijk vinden om de verhoogde concentraties aan arseen in het grondwater te monitoren c.q. aanvullend te laten onderzoeken. In reactie op het evaluatierapport van de destijds uitgevoerde grondwatersanering hebben wij in een brief d.d. 13 oktober 1998 aangegeven dat er géén gebruiksbeperkingen zijn als gevolg van de verhoogde arseenconcentraties in het grondwater. Er zijn in de tussentijd geen nieuwe inzichten verkregen om dit standpunt nu te herzien.

Vraag 2. De Partij voor de Dieren heeft grote twijfels over een gedegen historische onderzoek over gebruik en dumpingen in het verleden. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat men pas gericht kan onderzoeken op vervuilingen ais bekend is wat de aard was van dumpingen van afval en de aard van de industriële en/of landbouwwerkzaamheden (van bijv. de NAVO of de aardappelteelt) op het terrein? En klopt het dat nooit is onderzocht weike bedrijven afval hebben gestort op het terrein? Zo ja, waarom is dat niet onderzocht/bekend?
Antwoord: Uiteraard is het zo dat een vooronderzoek c.q. historisch onderzoek ten grondslag moet liggen aan de uitvoering van een bodemonderzoek. Dat is ook zo vastgelegd in de NEN5740 en NEN5725. Het is echter een illusie om 40 ä 50 jaar na dato nog te kunnen actiterhalen wat precies de aard van de dumpingen is geweest en van welke bedrijven, instanties of particulieren die afkomstig waren. Er zijn geen registraties bekend van de verrichtte stortingen ter plaatse van de gedempte wijk A (een brede sloot). Het was in die tijd ook niet gebruikelijk om afvalstortingen te registreren. Het betrof hier bovendien een particulier landbouwperceel, dat niet te boek stond als een officiële stortplaats. Een historisch onderzoek op basis van geruchten zal nooit een betrouwbaar beeld opleveren van de werkelijke gang van zaken. Het heeft ons inziens daarom geen zin om hier nu nog tijd en energie in te steken, temeer omdat de hele wijk in 1983 is opgeschoond en in een tijdelijk gronddepot is opgeslagen. Zoals u weet is dit depot met het ontgraven dempingsmateriaal in 1996 volledig opgeruimd en afgevoerd van het NAVO-terrein.

Vraag 3. Klopt het dat de verschillende bodemonderzoeken volgens een beperkt standaardpakket zijn gelopen? Zo Ja, waarom Is er niet voor een zeer uitgebreid pakket gekozen?
Antwoord: Nee dat klopt niet, de verschillende onderzoeken zijn volgens de toen gangbare richtlijnen en inzichten geanalyseerd op de toenmalige standaard analysepakketten, en bij meerdere onderzoeken aangevuld met niet gangbare parameters. Overigens zijn de standaard analysepakketten voor grond en grondwater in de loop van de jaren meerdere malen gewijzigd op basis van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht.

Vraag 4. Op biz. 12 en 13 van het rapport wordt gesproken over de zintulgelijk waarneembare vervullingen. Op veel locaties op het terrein is puin aangetroffen. Optisch volgens de Royal Haskoning zou er geen sprake zijn van asbestverdachte materialen. Echter merkt de onderzoeker op, dat het uitgevoerde onderzoek geen onderzoek conform de NEN 5707 of NEN 5897 betreft, welke specifiek is bedoeld voor onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in grond of puin. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens, dat gezien de intensieve aard van bewoning door asielzoekers op het terrein, het zeer wenselijk is dat er een gedegen onderzoek plaatsvindt op de aanwezigheid van asbest tussen het aanwezige puin? Ook omdat uit een analyse van de puinfundatie van de aanwezige asfaltweg blijkt dat deze wei asbestverdacht is?
Antwoord: De zintuiglijke waarnemingen van puin in de bodem hangen samen met de aanwezigheid van funderingslagen, bestaande uit puingranulaat en (hoogoven)slakken. Deze funderingslagen zijn in de NAVO-periode bij de aanleg van wegen en verhardingen aangebracht onder klinker- en asfaltverhardingen. In 2015 is in opdracht van het COA door InfraSoil onderzoek verricht naar de aanwezigheid van asbest in het toegepaste puingranulaat. Vervolgens is het puingranulaat. voor zover dit de hergebruiksnorm voor asbest in puin overschreed, verwijderd en afgevoerd. Overigens betrof dit een sanering in het kader van het Besluit Asbestwegen, waarvoor de Inspectie voor Leefomgeving & Transport het bevoegd gezag is. Funderingslagen van wegen en erven zijn geen bodem in de zin van de Wet bodembescherming en vallen niet onder de verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de provincie Groningen.

Vraag 5. Hebben er tijdens de bouw van het masterpian of op enig ander moment graafwerkzaamheden plaatsgevonden waardoor mensen mogelijk bloot gesteld zijn aan asbestvezels? Ais uw antwoord nee is, kunt u dan duidelijk maken hoe u dat weet?
Antwoord: Het is ons niet bekend of er op enig moment graafwerkzaamheden in asbesthoudende funderingslagen hebben plaatsgevonden anders dan tijdens bovengenoemde saneringswerkzaamheden. Maar zoals hierboven reeds vermeld is het ook niet de verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de provincie Groningen om hier op toe te zien.

Vraag 6. Op een specifieke locatie op het terrein werd siakkenhoudende grond aangetroffen. De grond blijkt boven de interventiewaarde verontreinigd met barium. Een aanvullend onderzoek gedaan in 2014 bevestigd dat. Bij boring 52 en 54 worden slakken aangetroffen in de grond. Barium in peilbuis 51 is boven interventiewaarde en alle andere buizen boven de streefwaarde. Uit onderzoeksresultaten blijkt dat er meer dan 100 m3 grondwater sterk verontreinigd is met barium, zodat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (biz. 15). Aanbevolen wordt om in overleg met het bevoegde gezag (Provincie) te komen tot vervolgstappen. Kunt u ons vertellen wat u met deze aanbeveling heeft gedaan?
Antwoord: Als vervolg op deze aanbeveling is in 2015 een vervolgonderzoek uitgevoerd, waarbij de omvang van de bariumverontreiniging in het grondwater nader in kaart is gebracht. Het onderzoeksrapport van InfraSoil kunt u opvragen bij de afdeling Omgeving en Milieu. Op basis van dit rapport is er begin 2015 overleg geweest met het bevoegd gezag. De geplande werkzaamheden in dit gebied zijn zo uitgevoerd dat de bariumverontreiniging onaangeroerd is gebleven.

Vraag 7. Over het algemeen wordt gesproken over lichte tot matige vervulling van de grond (op veel plaatsen) en zo hier en daar sterk verontreinigd. Allerlei zware metalen spelen daarbij een rol. Waarom Is er niet voortvarend voor sanering gekozen, vooral ook omdat Intensieve bewoning door mensen het doel was en Is van dit terrein?
Antwoord: Omdat er op het COA-terrein, afgezien van een zeer plaatselijke bariumverontreiniging in het grondwater, géén bodemverontreinigingen zijn aangetroffen boven het niveau van de interventiewaarden is er geen noodzaak tot sanering. Ook niet in het geval van intensieve bewoning door mensen. De bariumverontreiniging in het grondwater levert geen verhoogde risico's op voor de gezondheid van mensen en hoeft daarom niet gesaneerd te worden. De bodem onder het COA-terrein is geschikt voor het huidige gebruik wonen met tuin.

Vraag 8. Kunt u aangeven of de mogelijkheid bestaat dat mensen In contact zijn geweest met Arseen of Barium, bijvoorbeeld door het oppompen ervan?
Antwoord: Die mogelijkheid bestaat alleen als er een gat wordt gegraven tot op grondwaterniveau, dat is op circa anderhalve meter onder het maaiveld. Maar huidcontact met dit water levert geen verhoogde risico's op voor mensen. Alleen bij langdurig gebruik van dit grondwater voor consumptie is een verhoogd risico voor mensen niet uit te sluiten. Daar is echter geen sprake van. Ondiep grondwater wordt ongeacht de kwaliteit daarvan sowieso niet gebruikt voor de bereiding van drinkwater.

Vraag 9. Het rapport sluit af met de opmerking, dat de bodem geschikt Is voor het huidige gebruik. Kunt u de Partij voor de Dieren duidelijk maken hoe een dergelijke conclusie getrokken kan worden? Kan er gegarandeerd worden, dat de mensen niet ziek worden van de vervullingen op het terrein? Waarom wordt er In verschillende rapporten wel bewoning toegestaan, maar geen moestuin? Hoe gaat dat In uw optiek samen met de veiligheid van de asielzoekers en de werknemers op het terrein?
Antwoord: Die conclusie is getrokken op basis van de gemeten gehalten van de onderzochte parameters in grond en grondwater op het COA-terrein en deze hebben geen relevante betekenis voor de gezondheid van de mensen die wonen en werken op deze locatie. Deze conclusie wordt ook onderschreven door de GGD in haar rapportage van juni 2016 getiteld: 'Beoordeling gezondheidsrisico's POMS-site Ter Apel'. Het gebruik van de bodem als moestuin is niet aan de orde, maar zal gelet op de gemeten gehalten in de bodem geen verhoogde gezondheidsrisico's opleveren (zie rapportage GGD). Het rapport van de GGD kunt u opvragen bij de afdeling Omgeving en Milieu. DHV merkt in bijlage 8 van de rapportage uit 1996 op dat de gezondheid van mensen niet in het geding is en dat er alleen op beleidsmatige gronden een slag om de arm is gehouden ten aanzien van het gebruik van de bodem als moestuin. Deze bijlage kunt u opvragen bij de afdeling Omgeving en Milieu.

Vraag 10. Vindt u het een optie om daar waar kinderen spelen uit voorzorg een leef laag aan te brengen van 50 cm?
Antwoord: Wij vinden dit een overbodige maatregel en wekt de indruk dat het nu niet veilig is om daar te spelen en dat is niet zo. De beantwoording van bovenstaande vragen is gebaseerd op alle bekende onderzoeksrapporten, hierbij zijn de resultaten van het recente bodemonderzoek in opdracht van het COA ook meegenomen.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend, Gedeputeerde Staten van Groningen

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer