Vragen onderzoek muskus­rat­ten­be­strijding


30 januari 2008
Vragen van het statenlid Hazekamp (PvdD) over onderzoek bestrijding muskusratten

Via de media (Dagblad van het Noorden) zijn wij op de hoogte gebracht van het voornemen van Gedeputeerde Staten om de vangst van muskusratten in een deel van Westerwolde en het Westerkwartier te stoppen.
Naar aanleiding van dit voornemen, wil ik u de volgende vragen voorleggen.

1. Kunt u aangeven waarop de keuze voor deze 2 onderzoeksgebieden in Westerwolde en in het Westerkwartier is gebaseerd?

2. Deelt u de opvatting van de Partij voor de Dieren dat een bestuurlijk verantwoorde inschatting van de effectiviteit van het bestrijden van muskusratten voor de schade aan oevers en waterkeringen alleen mogelijk is op basis van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek, waarin op grond van een statistisch toereikende steekproef systematisch en objectief de dichtheid van de holen in een gebied waar bestrijding wordt stopgezet, wordt vergeleken met een gebied waar de bestrijding wordt voortgezet, waarbij op grond van een vooranalyse voorafgaand aan de stopzetting de holendichtheid in de gebieden bekend en liefst niet verschillend zal zijn?

3. Bent u ermee bekend dat graverij door muskusratten niet direct wordt waargenomen en zelfs enige jaren onopgemerkt kan blijven? Kunt u aangeven of er al objectieve, wetenschappelijk reproduceerbare methoden zijn om de ontwikkeling van de graafschade door muskusratten te meten? Zo ja, kunt u die methoden beschrijven en kunt u aangeven of deze methoden al ten behoeve van evaluaties van het muskusrattenbeheer worden toegepast? Zo nee, bent u bereid om in het kader van het experiment in Westerwolde en het Westerkwartier zo'n methode te (laten) ontwikkelen en te valideren, opdat de evaluatie van het muskusrattenbeheer met objectieve cijfers over de schade kan worden gevoed?

4. Bent u ermee bekend dat er geen duidelijke relatie bestaat tussen het aantal holen en het aantal dieren, onder andere doordat nieuwkomers bestaande holen kunnen gaan gebruiken? Bent u daarom bereid om de ontwikkeling van de holendichtheid in de genoemde gebieden voor een termijn van minstens 3 jaar te laten onderzoeken (voor zover de veiligheid niet in geding komt)?

5. De vos wordt door verschillende onderzoekers (Lammertsma en Nieuwold, 2005) gezien als belangrijke predator die een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de aantalregulering van de muskusrat. Bent u bereid om in het belang van het onderzoek in overleg te treden met de faunabeheereenheid om de mogelijkheden die art. 65 en art. 67 van de Flora- en faunawet bieden voor het doden van vossen voor deze
onderzoeksgebieden te beperken? Zo nee, waarom niet?

Antwoorddatum: 30 jan. 2008

30 januari 2008 Antwoorden op vragen van statenleden Hazekamp (PvdD) en Zanen (PvhN) over Milieuvergunningprocedures varkenshouderijen Eemsmond.


Antwoord op vragen van het statenlid Hazekamp (PvdD) over onderzoek bestrijding muskusratten


1. Kunt u aangeven waarop de keuze voor deze 2 onderzoeksgebieden in Westerwolde en in het Westerkwartier is gebaseerd?

Antwoord 1. Er is nog geen definitieve, exacte keuze voor de proefgebieden gemaakt. Bij de uitwerking van de proefopzet zullen de randvoorwaarden worden bepaald waaraan de proefgebieden moeten voldoen, waarna de definitieve locaties zullen worden vastgesteld. Wij hebben met de waterschappen afgesproken dat zij hierbij worden betrokken.

2. Deelt u de opvatting van de Partij voor de Dieren dat een bestuurlijk verantwoorde inschatting van de effectiviteit van het bestrijden van muskusratten voor de schade aan oevers en waterkeringen alleen mogelijk is op basis van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek, waarin op grond van een statistisch toereikende steekproef systematisch en objectief de dichtheid van de holen in een gebied waar bestrijding wordt stopgezet, wordt vergeleken met een gebied waar de bestrijding wordt voortgezet, waarbij op grond van een vooranalyse voorafgaand aan de stopzetting de holendichtheid in de gebieden bekend en liefst niet verschillend zal zijn?

Antwoord 2. Het primaire doel van het onderzoek dat wij willen uitvoeren is inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de populatie als met de bestrijding wordt gestopt. Tijdens de proef zullen wij ook de ontwikkeling van de schadebeelden volgen. Naast de voorgenomen proef in Groningen is er in opdracht van de Landelijke Coördinatiecommissie Muskusrattenbestrijding (LCCM) een aantal landelijke onderzoeken uitgevoerd naar nut en noodzaak van de bestrijding. De eindrapporten van de studies zijn te downloaden van de internetsite www.muskusrattenbestrijding.nl. Het LEI te Wageningen heeft in dit kader een onderzoek uitgevoerd naar economische schade als gevolg van graverij en vraat door muskusratten in gebieden van verschillende aard en met verschillende populatiedichtheden. DHV heeft een onderzoek uitgevoerd naar de veiligheid van
waterkeringen in relatie tot de graverij door muskusratten. De door de LCCM opgedragen onderzoeken zijn uitgevoerd door onafhankelijke bureaus onder begeleiding van commissies van deskundigen. De LCCM zal in 2008 een modelonderzoek naar de gevolgen van niet bestrijden laten uitvoeren. Het onderzoek dat wij willen uitvoeren moet in samenhang worden gezien met de onderzoeken die de LCCM heeft uitgevoerd en nog gaat uitvoeren.

3. Bent u ermee bekend dat graverij door muskusratten niet direct wordt waargenomen en zelfs enige jaren onopgemerkt kan blijven? Kunt u aangeven of er al objectieve, wetenschappelijk reproduceerbare methoden zijn om de ontwikkeling van de graafschade door muskusratten te meten? Zo ja, kunt u die methoden beschrijven en kunt u aangeven of deze methoden al ten behoeve van evaluaties van het muskusrattenbeheer worden toegepast? Zo nee, bent u bereid om in het kader van het experiment in Westerwolde en het Westerkwartier zo'n methode te (laten) ontwikkelen en te valideren, opdat de evaluatie van het muskusrattenbeheer met objectieve cijfers over de schade kan worden gevoed?

Antwoord 3. Ja, het is ons bekend dat graverij van muskusratten niet altijd direct waarneembaar is. Voor het meten van de ontwikkeling van graafschade verwijzen wij naar de hiervoor genoemde rapporten van de onderzoeken van het LEI en van DHV. Bij het voorgenomen onderzoek in Groningen zullen wij de resultaten van voornoemde onderzoeken betrekken.

4. Bent u ermee bekend dat er geen duidelijke relatie bestaat tussen het aantal holen en het aantal dieren, onder andere doordat nieuwkomers bestaande holen kunnen gaan gebruiken? Bent u daarom bereid om de ontwikkeling van de holendichtheid in de genoemde gebieden voor een termijn van minstens 3 jaar te laten onderzoeken (voor zover de veiligheid niet in geding komt)?

Antwoord 4. Ja, het is ons bekend dat muskusratten gebruik maken van reeds bestaande holen. In het kader van de proef zullen wij informatie verwerven over de ontwikkeling van de muskusrattenpopulatie. De wijze waarop wij dat gaan doen zullen wij bepalen bij de uitwerking van de proefopzet.

5. De vos wordt door verschillende onderzoekers (Lammertsma en Nieuwold, 2005) gezien als belangrijke predator die een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de aantalregulering van de muskusrat. Bent u bereid om in het belang van het onderzoek in overleg te treden met de faunabeheereenheid om de mogelijkheden die art. 65 en art. 67 van de Flora- en faunawet bieden voor het doden van vossen voor deze
onderzoeksgebieden te beperken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5. Bij de uitwerking van de onderzoeksopzet zullen wij nagaan of en zo ja op welke wijze wij predatie in het onderzoek kunnen betrekken. Wij zijn echter niet voornemens om het vigerende provinciale beleid met betrekking tot faunabeheer te wijzigen.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer