Vragen betref­fende bezwaar­schrijft MOB tegen kwikuit­stoot kolen­cen­trale RWE


Indiendatum: mrt. 2015

Geacht college,

Middels uw brief met briefnummer 2015-06164/10/A.14/LGW geeft u een reactie op de verzoeken van de Stichting Mobilisation for the Environment inzake de kolencentrale van RWE. Op 10 maart tekenden Greenpeace, Natuur & Milieu en de Waddenvereniging, in reactie op bovengenoemd antwoord, opnieuw bezwaar aan tegen de kwikuitstoot. In het bezwaar stellen zij onder andere dat de vergunning van de energiecentrale gebaseerd is op verouderde regels, en pleiten zij voor een actualisatie. Ook geven zij aan dat reductie van de emissie mogelijk is door het gebruik van kwikarme kolen en aangepaste technieken.

Met betrekking tot de minimalisatieverplichting geeft u het volgende aan: ‘De minimalisatieplicht houdt in dat de emissie van kwik zoveel mogelijk wordt voorkomen, of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt dient te worden. Over wat technisch mogelijk én kosteneffectief is in een gegeven situatie kunnen bedrijf, bevoegd gezag en derde belanghebbenden verschillen van inzicht.’ Wij willen u er op wijzen dat de minimalisatieverplichting bedoeld is om een nulemissie te bereiken[1].

Wij stellen u graag de volgende vragen.

1. Bent u van mening dat het op 10 maart ingediende bezwaar bezwaar een nieuw licht werpt op de vergunning voor RWE? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit toelichten?

2. In antwoord op statenvragen van GroenLinks d.d. 8 april 2014, en uw reactie op de brief van MOB stelt u dat u RWE de best bestaande technieken heeft voorgeschreven. Hoe verhoudt dit antwoord zich tot de constatering van bovengenoemde organisaties dat er wél technieken beschikbaar zijn om de kwikuitstoot verder te verlagen, zoals het gebruik van kolen met minder kwik en technisch aanpassingen endpipe? Kunt u uiteenzetten waarom deze technische aanpassingen nog niet zijn aangebracht en waarom er geen andere soort kolen wordt gebruikt door de centrale? Kunt u uitleggen hoe het ontbreken van deze ogenschijnlijk eenvoudige maatregelen zich in dat geval verhoudt tot de minimalisatieverplichting zoals in de inleidende tekst weergegeven?

3. Bent u bereid om RWE middels aanpassing van de door u verleende vergunning aan te zetten tot bovengenoemde maatregelen? Zo ja, welke stappen gaat u daartoe ondernemen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

4.Waarom bent u niet bereid eerder een actualiseringstoets met herbeoordeling van de minimalisatieverplichting te laten uitvoeren, gegeven het feit dat het hier om een extreem giftige stof gaat die zowel voor de volksgezondheid als het milieu zeer schadelijk is? Bent u het met ons eens dat een termijn van 4 tot 5 jaar zeer ruim gesteld is gezien het hoge tempo waarin schonere technieken beschikbaar komen, en aangezien het doel is om zo snel mogelijk tot een nulemissie te komen?

5. Bent u bereid RWE te verplichten een MVP studie te laten uitvoeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer wordt deze opgestart?

6. Bent u het met ons eens dat de kosteneffectiviteit mogelijk reden voor RWE is om geen (duurdere) kolen met minder kwik in te kopen c.q. de nieuwste technische aanpassingen aan te brengen? Zo ja, acht u dit acceptabel? Zo nee, waarom niet?

7. De antwoorden die u aan Dhr. Vollenbroek hebt gegeven, zijn deels identiek aan de antwoorden van de provincies Noord-Holland en Zeeland op dezelfde brief. Hoe is dat zo gekomen, welke weg hebben deze antwoorden afgelegd? Waarom kiest u er als provincie voor om deze antwoorden af te stemmen met andere provincies?

8. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat een zeer zorgvuldige benadering van dit onderwerp gewenst is vanwege de risico’s van kwik voor mens, dier en milieu en dat een eigen visie op dit onderwerp van de provincie wenselijk is?

9. In de antwoorden op vragen van GroenLinks stelde u dat de kwikuitstoot van RWE in mondiaal perspectief geplaatst gering is. Kunt u aangeven waarom u meent de ‘eigen’ kwikuitstoot te moeten bagatelliseren? Met andere woorden, bent u van mening dat als iemand anders meer vuil de zee en lucht in emitteert, dat een vrijbrief is om de eigen vervuiling ongemoeid te laten?

10. In antwoord op de vraag van MOB om de hoeveelheid kwik te monitoren in prooidieren en in scholeksters en visdiefjes, antwoordt de staatssecretaris dat het RIVM is gevraagd een milieukwaliteitsnorm af te leiden voor water. Deze zal dit jaar worden vastgelegd. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat een aanvullend onderzoek naar de hoeveelheid kwik in vissen en andere dieren in de Waddenzee wenselijk is, vanuit het oogpunt van volksgezondheid (de mens als viseter) en natuur?­ Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid met een voorstel hiertoe te komen en dit bijvoorbeeld te financieren uit het Waddenfonds?

Met vriendelijke groet,

Kirsten de Wrede

Partij voor de Dieren

[1] http://www.infomil.nl/onderwerpen/klimaat-lucht/ner/digitale-ner/3-eisen-en/3-2-algemene/3-2-1-stoffen/

Indiendatum: mrt. 2015
Antwoorddatum: 1 jan. 1970

Geachte mevrouw De Wrede,

In antwoord op uw vragen van 17 maart 2015 over ingediende bezwaren met betrekking tot de kwikuitstoot van de RWE-centrale melden wij u het volgende:

Vraag 1. Bent u van mening dat het op 10 maart ingediende bezwaar een nieuw licht werpt op de vergunning voor RWE?

Ad. 1.Nee, het bezwaar is inhoudelijk soortgelijk aan de eerdere brief van MOB. Hierop hebben bij brief 2015-06164/1 O/A. 14, LGW, op gereageerd.

Vraag 2. In antwoord op statenvragen van GroenLinks d.d. 8 april 2014, en uw reactie op de brief van MOB stelt u dat u RWE de best bestaande technieken heeft voorgeschreven. Hoe verhoudt dit antwoord zich tot de constatering van bovengenoemde organisaties dat er wél technieken beschikbaar zijn om de kwikuitstoot verder te verlagen, zoals het gebruik van kolen met minder kwik en technisch aanpassingen endpipe? Kunt u uiteenzetten waarom deze technische aanpassingen nog niet zijn aangebracht en waarom er geen andere soort kolen wordt gebruikt door de centrale? Kunt u uitleggen hoe het ontbreken van deze ogenschijnlijk eenvoudige maatregelen zich in dit geval verhoudt tot minimalisatieverplichting zoals in de inleidende tekst weergegeven?

Ad 2. Best Bestaande Technieken zijn nauwkeurig omschreven. Het enkele feit dat een techniek beschikbaar is om de emissie van een bepaalde stof verder te verlagen, bepaalt niet zozeer of er al dan niet sprake is van Best Bestaande Technieken (BBT). In dit geval zijn de Best Bestaande Technieken beschreven in de BREF-LCP. Eventueel aanvullende technieken zijn in principe niet kosteneffectief, dat wil zeggen dat voor een verdergaande reductie onevenredig hoge kosten gemaakt moeten worden. Datzelfde geldt voor andersoortige kolen. In de BREF-LCP wordt niet voorgeschreven dat alleen kolen met een laag kwikgehalte mag worden toegepast. 06-HB-SG-001 Oe provincie Groningen werkt volgens normen die zijn vastgelegd in een handvest voor dienstverlening. Dit handvest vindt u op onze website of kunt u opvragen bij de afdeling Communicatie en Kabinet, Publieksvoorlichting: 050 3164160

Vraag 3. Bent u bereid om RWE middels aanpassing van de door u verleende vergunning aan te zetten tot bovengenoemde maatregelen? Zo ja, welke stappen gaat u daartoe ondernemen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Ad. 3. Nee, daar zien wij geen aanleiding voor. Zie voorde motivering de overige antwoorden.

Vraag 4. Waarom bent u niet bereid eerder een actualiseringstoets met herbeoordeling van de minimalisatieverplichting te laten uitvoeren, gegeven het feit dat het hier om een extreem giftige stof gaat die zowel voor de volksgezondheid als het milieu zeer schadelijk is? Bent u het met ons eens dat een termijn van 4 tot 5 jaar zeer ruim gesteld is gezien het hoge tempo waarin schonere technieken beschikbaar komen, en aangezien het doel is om zo snel mogelijk tot een nul emissie te komen?

Ad. 4. Wij delen uw constatering niet ten aanzien van de schadelijkheid van de stof. Die schadelijkheid moet ook bezien worden in het licht van de omvang van de blootstelling van mens en milieu. Wij vinden net als u een actualiseringstoets van 5 jaar niet onredelijk. Overigens, in zowel uw inleiding op de schriftelijke vragen als in deze onderhavige vraag stelt u dat de minimalisatieverplichting voor kwik bedoeld is om een nulemissie te bereiken. Exact naar de letter bezien ligt dat iets complexer. In het stuk waarnaar uw inleiding verwijst, staat namelijk als doel omschreven dat "het streven op nulemissie moet zijn gericht". Het gaat om een minimalisatieverplichting; het doel is niet per se een emissie van 0.

Vraag 5. Bent u bereid RWE te verplichten een MVP studie te laten uitvoeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer wordt deze opgestart?

Ad.5. Het begrip 'MVP-studie' is nieuw voor ons. Maar mocht u hieronder verstaan het toetsen of de emissie van RWE aan de eisen die op grond van de NeR gesteld worden aan emissieconcentratie en -vracht voor minimalisatie verplichte stoffen, dan is het antwoord dat deze toets bij het nemen van het besluit al is uitgevoerd.

Vraag 6. Bent u het met ons eens dat de kosteneffectiviteit mogelijk reden voor RWE is om geen (duurdere) kolen met minder kwik in te kopen c.q. de nieuwste technische aanpassingen aan te brengen? Zo ja, acht u dit acceptabel? Zo nee, waarom niet?

Ad.6. Kosteneffectiviteit is inderdaad één van de criteria die gebruikt worden om te bepalen of een bepaalde techniek moet worden toegepast. Wij achten dit acceptabel.

Vraag 7. De antwoorden die u aan de heer Vollenbroek hebt gegeven, zijn deels identiek aan de antwoorden van de provincies Noord-Holland en Zeeland op dezelfde brief. Hoe is dat zo gekomen, welke weg hebben deze antwoorden afgelegd? Waarom kiest u er als provincie voor om deze antwoorden af te stemmen met andere provincies?

Ad. 7. Het was ons bekend dat een eensluidende brief aan alle kustprovincies is gestuurd. Er is afstemming geweest bij de beantwoording van deze brief, waarbij bleek dat er geen grote verschillen van inzicht bij de betrokken provincies leefden. Vandaar dat de inhoud van de brieven sterk op elkaar lijkt. V

raag 8. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat een zeer zorgvuldige benadering van dit onderwerp gewenst is vanwege de risico's van kwik voor mens, dier en milieu en dat een eigen visie op dit onderwerp van de provincie wenselijk is?

Ad 8. Wij zijn het eens met het standpunt dat de emissie van kwik zeer zorgvuldig beoordeeld moet worden.

Vraag 9. In de antwoorden op vragen van GroenLinks stelde u dat de kwikuitstoot van RWE in mondiaal perspectief geplaatst gering is. Kunt u aangeven waarom u meent de 'eigen' kwikuitstoot te moeten bagatelliseren? Met andere woorden, bent u van mening dat als iemand anders meer vuil de zee en lucht in emitteert, dat een vrijbrief is om de eigen vervuiling ongemoeid te laten?

Ad 9. Door de lokale emissie van kwik in een mondiale context te plaatsen, ontstaat inzicht in de verhouding tussen beide cijfers. Het gaat om harde en onomstreden cijfers. Cijfers bagatelliseren niet.

Vraag 10. In antwoord op de vraag van MOB om de hoeveelheid kwik te monitoren in prooidieren en in scholeksters en visdiefjes, antwoordt de staatssecretaris dat het RIVM is gevraagd een milieukwaliteitsnorm af te leiden voor water. Deze zal dit jaar worden vastgelegd. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat een aanvullend onderzoek naar de hoeveelheid kwik in vissen en andere dieren in de Waddenzee wenselijk is, vanuit het oogpunt van volksgezondheid (de mens als viseter) en natuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid met een voorstel hiertoe te komen en dit bijvoorbeeld te financieren uit het Waddenfonds?

Ad. 10. Aan uw vraag naar aanvullend onderzoek wordt feitelijk al voldaan. Voor de afleiding van de genoemde norm wordt immers ook de belasting meegenomen van andere organismen, zoals de door u genoemde dieren. Ook aan eisen ten aanzien van kwikgehalte voor menselijke consumptie wordt reeds voldaan. Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

Gedeputeerde Staten van Groningen.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer