Schrif­te­lijke vragen gras­land­herstel en weide- en akker­vogels


Indiendatum: mrt. 2015

Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS op grond van artikel 46 van het Reglement van Orde inzake herstelmaatregelen grasland en maaislachtoffers veldleeuweriken.

Geacht college,

Weidevogels dreigen de dupe te worden van herstelmaatregelen in de gebieden waar eerder dit jaar piek-populaties veldmuizen voorkwamen. Een deel van deze locaties overlapt met de weidevogelgebieden, zoals Middag Humsterland / Reitdiep. Op locaties waar veldmuizen grasland hebben aangetast, zullen in veel gevallen herstellende maatregelen worden getroffen waarbij weilanden worden omgeploegd en opnieuw ingezaaid. Hierdoor dreigen weidevogels juist in de cruciale broedperiode hun nest- en voedselgebieden kwijt te raken. De Vogelbescherming schreef u hierover onlangs een brandbrief [i].

Verder willen wij specifiek aandacht vragen voor de situatie van de veldleeuwerik. Op 27 februari jl. stond op natuurbericht.nl [ii] een artikel van de Oost Groningse werkgroep Grauwe Kiekendief in samenwerking met de Vogelbescherming. In dat artikel werd melding gemaakt van het ieder jaar weer doden door maaien van zo'n vijftienduizend jonge veldleeuweriken. De vogel kwam in de jaren 70 van de vorige eeuw nog zeer veel voor, geschat wordt zo’n miljoen broedparen. Tegenwoordig is het aantal broedparen gedaald tot ongeveer 10.000, waarvan zo’n 6300 in Groningen! [1]

In Groningen broeden de laatste jaren rond de 4750 van de 6300 paren veldleeuweriken in akkerland. Veel akkerland moet echter plaats maken voor grasland. Zo is het grasland in Oldambt en de Veenkoloniën toegenomen van 12% naar 22%. Het gaat hier om raaigras en niet om bloem- en kruidenrijk gras. De veldleeuwerik heeft geen alternatief en gaat broeden op deze graslanden met als gevolg dat het broedsel stuk gemaaid wordt. Oost Groningen is nog steeds één van de belangrijkste broedplaatsen voor deze vogel. [iii]

Graag stellen wij u de volgende vragen:

  1. Is de provincie bereid om te voorkomen dat er in gebieden met weidevogels graslandherstellende maatregelen worden genomen in het broedseizoen van 1 maart tot 15 juni?
  2. Voor veel weide- en akkervogels, waaronder de veldleeuweriken, is de toegang tot gevarieerd grasland van levensbelang. Is de provincie bereid om bij de noodzaak tot het nieuw inzaaien van grasland in weidevogelgebieden, het gebruik van kruidenrijke zaadmengsels te stimuleren door de meerkosten hiervan te financieren? Zo nee, waarom niet?
  3. In 2011 werd nog jubelend melding gemaakt van nieuwe beheersovereenkomsten voor akker- en weidevogels. Voor o.a. de veldleeuwerik lijkt dit echter tot geen enkele vooruitgang te hebben geleid. Kunt u toelichten waarom het gevoerde beleid volgens u wel of niet effectief was?
  4. Bent u bereid om specifieke, aanvullende maatregelen te treffen voor bescherming van de veldleeuwerik, gegeven de zeer belangrijke positie van Groningen voor het voortbestaan van deze vogel? Zo ja, wat gaat u doen om de broedresultaten en fourageermogelijkheden van de veldleeuwerik te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
  5. Bent u bereid om in het nieuwe beleid voor agrarisch natuurbeheer de deelnemers uit de gebiedscollectieven subsidie te bieden om pas na het broedseizoen te gaan maaien? Zo ja, kunt u toelichten hoe u dit in het beleid wilt integreren? Zo nee, waarom niet?
  6. Bent u het met ons eens dat alléén later maaien of alléén een kruidenrijk mengsel op land of rand inzaaien onvoldoende is om de ondergang van de vogels te keren, maar dat deze twee maatregelen in samenhang uitgevoerd moeten worden? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven in uw (nieuwe) beleid? Zo nee, waarom niet?
  7. Een substantieel deel van de achteruitgang van akker- en weidevogels vindt plaats op de akkers en weilanden zonder beheervergoeding. Ziet u toch mogelijkheden om op deze gronden c.q. bij deze agrariërs de weide- en akkervogels te ondersteunen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
  8. Met de groei van de melkveehouderij zal steeds meer grond in gebruik genomen worden voor productie van voedselgewasssen voor vee (monoculturen van gras, snijmais met lagere grondwaterstand), met een desastreus effect voor de akker- en weidevogels. Zo is Oost-Groningen akkervogelgebied, maar daar vindt ook snelle intensivering van de melkveehouderij plaats. Hoe denkt u deze aanslag op de vogelpopulatie op te gaan vangen? Wordt er in het veehouderijbeleid rekening gehouden met dit ongewenste neveneffect? Hoe voorkomt u dat de akkervogelkerngebieden versnipperd raken door de oprukkende schaalvergroting?
  9. Acht u het acceptabel dat door de huidige bedrijfsvoering van de landbouw beschermde vogelsoorten volledig verloren gaan voor onze provincie? Hoe ziet u uw eigen positie in deze kwestie?

In verband met het begin van het broedseizoen, verzoeken wij u om een spoedige beantwoording.

Met vriendelijke groet,

Kirsten de Wrede

[1] Dagblad van het Noorden, 27 februari 2015

[i] http://www.natuurbericht.nl/?id=13249

[ii] http://www.natuurbericht.nl/?id=13246

[iii] http://www.vogelbescherming.nl/vogels_kijken/vogelgids/zoekresultaat/detailpagina/q/vogel/231/tab/Aantal

Indiendatum: mrt. 2015
Antwoorddatum: 6 apr. 2015

Geachte mevrouw De Wrede,


Naar aanleiding van uw schriftelijek vragen (uw brief van 18 maart 2015) over de muizenplaag, weidevogelbeheer en veldleeuweriken berichten we u het volgende.

Vraag 1: Is de provincie bereid om te voorkomen dat er in gebieden met weidevogels graslandherstellende maatregelen worden genomen in het broedseizoen van 1 maart tot 15 juni?


Antwoord 1: Wij hebben geen informatie op welke plekken boeren herstelwerkzaamheden zouden wensen. In de beheerpakketten voor het SNL (Subsidiestelsel natuur en Landschap) staan voorwaarden waaraan weidevogelbeheerders zich moeten houden.


Vraag 2: Voor veel weide- en akkervogels, waaronder de veldleeuweriken, is de toegang tot gevarieerd grasland van levensbelang. Is de provincie bereid om bij de noodzaak tot het nieuw inzaaien van grasland in weidevogelgebieden, het gebruik van kruidenrijke zaadmengsels te stimuleren door de meerkosten hiervan te financieren? Zo nee, waarom niet?


Antwoord 2: Indien deze kwestie aan de orde zou komen, willen wij deze vraag met een open houding tegemoet treden.


Vraag 3: In 2011 werd nog jubelend melding gemaakt van nieuwe beheersovereenkomsten voor akker- en weidevogels. Voor o.a. de veldleeuwerik lijkt dit echter tot geen enkele vooruitgang te hebben geleid. Kunt u toelichten waarom het gevoerde beleid volgens u wel of niet effectief was?


Antwoord 3: Zie de Toestand van de Natuur 2014 (die u van ons heeft ontvangen op 28 oktober 2014 en die in de Statencommissie Ruimte, Natuur en Leefbaarheid van 26 november 2014 aan de orde is geweest). Hierin wordt bevestigd dat de achteruitgang van vooral weidevogels nog niet gestuit is. De veldleeuwerik lijkt zich echter te stabiliseren. Inzet van het nieuwe agrarische natuurbeheer na 2016 is om agrarische collectieven meer maatwerk te laten plegen. Zij krijgen meer verantwoordelijkheid voor de organisatie van het beheer. Van deze werkvorm worden betere ecologische resultaten verwacht, ook wat betreft de veldleeuwerik.


Vraag 4; Bent u bereid om specifieke, aanvullende maatregelen te treffen voor bescherming van de veldleeuwerik, gegeven de zeer belangrijke positie van Groningen voor het voortbestaan van deze vogel? Zo ja, wat gaat u doen om de broed resultaten en fourageermogelijkheden van de veldleeuwerik te verbeteren? Zo nee, waarom niet?


Antwoord 4: Zie antwoorden op de vragen 2 en 3.


Vraag 5: Bent u bereid om in het nieuwe beleid voor agrarisch natuurbeheer de deelnemers uit de gebiedscollectieven subsidie te bieden om pas na het broedseizoen te gaan maaien? Zo ja, kunt u toelichten hoe u dit in het beleid wilt integreren? Zo nee, waarom niet?


Antwoord 5: Vanuit de werkgroep Grauwe Kiekendief en de ANOG wordt het project Grasleeuwerik gestart, om te onderzoeken of in gebieden met akkerbouw en melkveehouderij de veldleeuwerik beter beschermd kan gaan worden. Wij zijn benieuwd naar de resultaten van dit project.


Vraag 6; Bent u het met ons eens dat alléén later maaien of alléén een kruidenrijk mengsel op land of rand inzaaien onvoldoende is om de ondergang van de vogels te keren, maar dat deze twee maatregelen in samenhang uitgevoerd moeten worden? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven in uw (nieuwe) beleid? Zo nee, waarom niet?


Antwoord 6: Zie het antwoord op vraag 5.


Vraag 7: Een substantieel deel van de achteruitgang van akker- en weidevogels vindt plaats op de akkers en weilanden zonder beheervergoeding. Ziet u toch mogelijkheden om op deze gronden c.q. bij deze agrariërs de weide- en akkervogels te ondersteunen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?


Antwoord 7: Het instrument voor bescherming van weide- en akkervogels is het Agrarisch Natuurbeheer. Dit wordt ingezet in de gebieden met de meest levenskrachtige populaties van weide- en akkervogels. Voor akkervogels kan daarnaast de vergroening vanuit het GLB (Gemeenschappelijk LandbouwBeleid) effect hebben. Dit beleid wordt aangestuurd vanuit het Rijk. Het agrarische collectief streeft naar een goede combinatie van akkervogelbeheer en het GLB.


Vraag 8: Met de groei van de melkveehouderij zal steeds meer grond in gebruik genomen worden voor productie van voedselgewassen voor vee (monoculturen van gras, snijmaïs met lagere grondwaterstand), met een desastreus effect voor de akker- en weidevogels. Zo is Oost-Groningen akkervogelgebied, maar daar vindt ook snelle intensivering van de melkveehouderij plaats. Hoe denkt u deze aanslag op de vogelpopulatie op te gaan vangen? Wordt er in het veehouderijbeleid rekening gehouden met dit ongewenste neveneffect? Hoe voorkomt u dat de akkervogelkerngebieden versnipperd raken door de oprukkende schaalvergroting?


Antwoord 8: De opkomst van de melkveehouderij in akkerbouwgebieden is een ontwikkeling die wij als zodanig niet kunnen sturen vanuit het provinciale beleid. In het Groninger Verdienmodel verbinden wij wel voorwaarden aan bedrijfsuitbreiding tot een bouwblok van 4 hectare. Bijvoorbeeld op het punt van dierenwelzijn en natuur. Ook het Europese landbouwbeleid stelt voorwaarden aan "vergroening" van de landbouw die
bijdraagt aan biodiversiteit. Samenwerking tussen akkerbouw en melkveehouderij in Oost Groningen vinden wij urgent. Beheer van akkervogels gaat zoveel mogelijk plaatsvinden in gebieden met een hoog aandeel akkers. Dit concrete beheer wordt georganiseerd door het agrarische collectief Oost.


Vraag 9: Acht u het acceptabel dat door de huidige bedrijfsvoering van de landbouw beschermde vogelsoorten volledig verloren gaan voor onze provincie? Hoe ziet u uw eigen positie in deze kwestie?


Antwoord 9: Wij verwachten niet dat met de huidige bedrijfsvoering beschermde vogelsoorten "volledige verloren" gaan. In de Toestand van de natuur 2014 wordt juist geconcludeerd dat veel akkervogels zich aardig stand houden. Onze rol is die van regisseur: wij bepalen de algemene kaders voor het agrarisch natuurbeheer; via periodieke verslaglegging van monitorresultaten evalueren we het beleid en stellen dat zo nodig bij. De organisatie van het beheer ligt bij de agrarische collectieven.


Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend,
Gedeputeerde Staten van Groningen.
,

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer