Schrif­te­lijke vragen over stand van zaken inven­ta­ri­satie geiten­be­drijven


Indiendatum: feb. 2010

Toelichting:

Deze week werd bekend dat de helft van de geitenhouderijen in Noord-Brabant te dicht bij de bebouwde kom is gevestigd (http://www.agriholland.nl/nieuws/artikel.html?id=111524). Dat schrijven Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant in een inventarisatie die is gemaakt voor een discussie over de uitbraak van Q-koorts met de Provinciale Staten (http://www.brabant.nl/politiek-en-bestuur/provinciale-staten/vergaderstukken-en-besluiten-ps-en-commissies/ps.aspx?qvi=31763).

In Noord-Brabant zijn 197 bedrijven met geiten. Bijna de helft van alle bedrijven ligt op minder dan 500 meter van de bebouwde kom, geen enkel bedrijf ligt verder dan 2 kilometer bij de bebouwde kom vandaan. Dit is een groot risico voor de volksgezondheid. De epidemiologische bevindingen voor de huidige Q-koortssituatie rechtvaardigen volgens de deskundigen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een afstand van 2 of zelfs 5 kilometer. Om de infectiedruk te verlagen wil de provincie geitenbedrijven zoveel mogelijk verplaatsen of vestigen op zo ruim mogelijke afstand van bebouwing. Ook wil zij een minimum afstand hanteren ten opzichte van stedelijk gebied, bebouwingsclusters en recreatieve objecten. Daarnaast geeft Brabant aan dat door de wijze van melkgeiten houden een groot deel van de sector onder de intensieve veehouderij zou vallen.


Naar aanleiding hiervan wil de fractie van de Partij voor de Dieren u de volgende vragen voorleggen:


1. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat het in gevaar brengen van de gezondheid van
burgers en met name van mensen uit risicogroepen gecontinueerd wordt, indien deze grote
melkgeiten- en melkschapenbedrijven in de nabijheid liggen van woonkernen, scholen en
recreatieve voorzieningen?

2. Kunt u, mede naar aanleiding van de op 16 december j.l. aangenomen motie van de Partij voor de Dieren over het inventariseren van geitenbedrijven in verband met de Q-koorts, aangeven wat de vorderingen zijn ten aanzien van het in kaart brengen van grote melkgeitenbedrijven en de afstanden tot woonkernen, scholen en recreatieve voorzieningen?

3. Bent u bereid om de aanbevelingen van het RIVM serieus te nemen en een minimale afstand van 2-5 kilometer van melkgeiten- en melkschapenbedrijven tot woonkernen, scholen en recreatieve voorzieningen te hanteren en de provinciale omgevingsverordening hierop aan te passen? Zo ja, op welke termijn? Zo neen, waarom niet?

4. Bent u bereid om bedrijven met melkgeiten en -schapen die binnen 2-5 kilometer van woonkernen, scholen en recreatieve voorzieningen gelegen zijn, te verplaatsen? Zo nee, op welke wijze denkt u dan de risico's voor de volksgezondheid weg te nemen?

5. Deelt u de mening van GS van Brabant dat door de wijze van melkgeiten houden een groot deel van de melkgeitensector onder de intensieve veehouderij behoort te vallen? Zo ja, bent u bereid om dit op korte termijn op te nemen in het provinciaal beleid en de provinciale omgevingsverordening hierop aan te passen? Zo nee, waarom niet?


Met vriendelijke groet,


Namens de statenfractie van de Partij voor de Dieren

Anja Hazekamp
Fractievoorzitter

Indiendatum: feb. 2010
Antwoorddatum: 13 apr. 2010

Geachte mevrouw Hazekamp,

Op 14 februari 2010 heeft u aan ons een aantal schriftelijke vragen gesteld over de
stand van zaken van de inventarisatie van de geitenbedrijven. Aanleiding voor
deze inventarisatie is de aangenomen motie van 16 december 2009 tijdens de
vergadering van Provinciale Staten. Hieronder volgen de vragen die u gesteld
heeft en de beantwoording daarvan.

Vraag 1
Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat het in gevaar brengen van de
gezondheid van burgers en met name van mensen uit risicogroepen
gecontinueerd wordt, indien deze grote melkgeiten- en melkschapenbedrijven in
de nabijheid liggen van woonkernen, scholen en recreatieve voorzieningen?

Antwoord
In verband met besmettingsgevaar door de Q-koorts bacterie bestaat er een zeker
risico voor de volksgezondheid indien grote geiten- en/of schapenhouderijen in de
nabijheid liggen van bevolkingsconcentraties. Om een inschatting te kunnen
maken van de grootte van dit risico is het volgende van belang.
In de provincie Groningen bevinden zich 14 geitenhouderijen met meer dan
50 geiten. Nagenoeg al deze bedrijven bevinden zich in relatief dun bevolkte delen
van het landelijk gebied van onze provincie.
Voor zover de bestaande ruimtelijke relatie tussen enerzijds deze
14 geitenhouderijen en anderzijds de locaties waar veel mensen voor langere tijd
bijeen zijn, al aanleiding geeft voor een zeker risico voor humane besmetting zal dit
risico aanmerkelijk afnemen door de inmiddels gestarte vaccinatiecampagne tegen
Q-koorts. Gevaccineerde dieren zullen het virus immers niet meer verspreiden.
Volledigheidshalve hebben wij hieronder het huidige vaccinatiebeleid t.a.v. de
Q-koorts van het ministerie van LNV weergegeven.

De vaccinatie tegen Q-koorts is in 2010 verplicht voor alle geiten en schapen in de volgende
groepen:
1. Melkleverende geiten- en schapenbedrijven (ook bedrijven met minder dan 50 schapen en/of
geiten)
2. Geiten en schapen op opfokbedrijven die bedoeld zijn voor de melkproductie
3. Rondtrekkende kuddes
4. Gehouden schapen en geiten in natuurgebieden
5. Geiten- en schapenbedrijven met een publieksfunctie:
• kinderboerderijen
• zorgboerderijen
• dierentuinen
• bedrijven die lammetjesaaidagen willen organiseren
Overige houders van schapen en geiten kunnen hun dieren vrijwillig laten vaccineren. Alleen als
dieren goed gevaccineerd zijn tegen Q-koorts, mag een bedrijf zgn. "lammetjesaaidagen" houden.
Melkleverende bedrijven en opfokbedrijven moeten hun dieren voor 1 juni 2010 vaccineren tegen
Q-koorts. Dit is nodig omdat alle geiten en schapen op deze bedrijven gevaccineerd moeten
worden voordat ze drachtig worden. Dieren die niet vóór 1 juni gevaccineerd kunnen worden
omdat ze de leeftijd van 3 maanden nog niet hebben bereikt, moeten vóór 1 januari 2011
gevaccineerd worden. Deze dieren moeten in ieder geval twee weken voordat ze een dier dekken
of gedekt worden, zijn gevaccineerd. (Er geldt een fokverbod tot 1 juli 2010.) Het aantal
gevaccineerde dieren moet worden gemeld aan de GD. Daarnaast moet vaccinatie van ieder dier
worden vastgelegd in het I&R systeem. De vaccinatieplicht geldt niet voor dieren die in 2010
geboren worden en ook dit jaar worden afgevoerd naar de slacht. Deze niet-gevaccineerde dieren
mogen in de tussentijd niet worden ingezet voor de fok.
Alle overige dieren die vallen onder de vaccinatieplicht (dieren in rondtrekkende kuddes, gehouden
schapen en geiten in natuurgebieden en dieren op bedrijven met een publieke functie) moeten
vóór 1 januari 2011 gevaccineerd worden. Ook voor deze dieren geldt dat het aantal
gevaccineerde dieren gemeld moet worden bij de GD en dat vaccinatie van ieder dier vastgelegd
moet worden in het I&R systeem.

Vraag 2
Kunt u, mede naar aanleiding van de op 16 december jl. aangenomen motie van
de Partij voor de Dieren over het inventariseren van geitenbedrijven in verband met
de Q-koorts, aangeven wat de vorderingen zijn ten aanzien van het in kaart
brengen van grote melkgeitenbedrijven en de afstanden tot woonkernen, scholen
en recreatieve voorzieningen?

Antwoord
Zoals in het antwoord in vraag 1 reeds is vermeld, zijn er 14 bedrijven in de
provincie Groningen met meer dan 50 geiten. In een afzonderlijke brief aan de
leden van Provinciale Staten zult u hierover geïnformeerd worden. Die brief zal
tezamen met deze brief aan de leden van Provinciale Staten worden verstuurd. Wij
verwijzen u naar deze brief.

Vraag 3
Bent u bereid om de aanbevelingen van het RIVM serieus te nemen en een
minimale afstand van 2-5 kilometer van melkgeiten- en melkschapenbedrijven tot
woonkernen, scholen en recreatieve voorzieningen te hanteren en de provinciale
omgevingsverordening hierop aan te passen? Zo ja, op welke termijn? Zo neen,
waarom niet?

Antwoord
Het hanteren van een minimale afstand (in de provinciale omgevingsverordening)
kan volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een positief
en preventief effect hebben op de langere termijn. Het RIVM denkt daarbij aan een
afstand van tussen de 2 en de 5 km tijdens de huidige Q-koorts epidemie. Echter,
het is vooralsnog onbekend hoe groot de afstand tot woonkernen precies zou
moeten zijn, opdat het besmettingsgevaar tot een minimum kan worden beperkt.
Nader onderzoek zal hier meer duidelijkheid over moeten verschaffen, aldus het
RIVM.
Overigens achten wij deze strategie van ruimtelijke zonering pas aan de orde,
wanneer zou blijken dat het volledig pakket aan maatregelen dat inmiddels is
genomen om het grote aantal humane Q-koortsgevallen in Nederland terug te
dringen, niet effectief blijkt te zijn.

Vraag 4
Bent u bereid om bedrijven met melkgeiten en -schapen die binnen 2-5 kilometer
van woonkernen, scholen en recreatieve voorzieningen gelegen zijn, te
verplaatsen? Zo nee, op welke wijze denkt u dan de risico's voor de
volksgezondheid weg te nemen?

Antwoord
Zie het antwoord op vraag 3.

Vraag 5
Deelt u de mening van GS van Brabant dat door de wijze van melkgeiten houden
een groot deel van de melkgeitensector onder de intensieve veehouderij behoort te
vallen? Zo ja, bent u bereid om dit op korte termijn op te nemen in het provinciaal
beleid en de provinciale omgevingsverordening hierop aan te passen? Zo nee,
waarom niet?

Antwoord
In het POP staat dat intensieve veehouderij wordt uitgeoefend door nietgrondgebonden
agrarische bedrijven, die zelfstandig of als neventak (nagenoeg)
geheel in gebouwen varkens, pluimvee, vleeskalveren en/of pelsdieren houden.
Het houden van geiten wordt daar niet toe gerekend Het gaat hier om een vorm
van melkveehouderij, die vergelijkbaar is met de melkrundveehouderij. Het doel is
de productie van melk en niet de productie van vlees. Daarnaast is de huisvesting
niet vergelijkbaar met die van de intensieve veehouderij.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend,
Gedeputeerde Staten van Groningen

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer