Schrif­te­lijke vragen inzake uitspraak Europees Hof van Justitie over de PAS


Betreft: Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Groningen aan het college van GS ex artikel 46 RvO betreffende de uitspraak van het Europees Hof van Justitie over de PAS

Geacht college,

Op 7 november 2018 heeft het Europees Hof van Justitie uitspraak gedaan over prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de onderbouwing van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). In de uitspraak, m.n. r.o. 104, 124 en 132, zijn strenge maatstaven aangelegd voor de beoordeling van een programmatische aanpak als de PAS. Daartoe behoort de eis van volstrekte zekerheid over de uitvoering en het effect van alle daarin opgenomen maatregelen die beogen stikstof uitstoot te verminderen.

Het Hof overweegt dat “maatregelen die losstaan van dat programma, niet mogen worden betrokken in een passende beoordeling … indien de verwachte voordelen van die maatregelen niet vaststaan ten tijde van die beoordeling.” Dit is de kern van de PAS, die verwachte verbeteringen gebruikt om nieuwe activiteiten te legitimeren. Een aangepaste PAS zal zich binnen de kaders van de uitspraak van het Hof moeten begeven. Er is veel onduidelijkheid wat dit betekent voor toekomstige projecten, maar ook voor toestemmingen uit het verleden. Hierbij valt te denken aan ‘bestaand gebruik’ en 130 kilometer per uur maximum snelheid die zijn opgenomen in de autonome ontwikkelingen, alsook besluiten waarbij PAS ruimte is toebedeeld op basis van een melding en ver-gunningen op basis van de PAS. Het Hof was zeer kritisch en het is ten zeerste de vraag of de PAS houdbaar is, hetgeen het einde zal betekenen van de “ontwikkelruimte” én betekent dat de vergunningen niet verleend hadden mogen worden omdat de kritische depositiewaarden worden overschreden. Het is de vraag hoe de provincie met deze al verleende vergunningen zal moeten omgaan. Er ontstaat een risico op aanzienlijke financiële schadeposten.

Ook vanuit het kader natuurbescherming dient deze uitspraak niet onderschat te worden. Door het EUHvJ is bepaald dat in de PAS en de daarbij behorende passende beoordeling maatregelen zijn opgenomen, waarvan de verwachte voordelen ten tijde van de beoordeling niet vaststaan. Daardoor is het niet zeker dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de soorten in de speciale beschermingszones niet worden aangetast. In artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn ligt een voorzorgsbeginsel besloten, dat vereist dat er zekerheid is dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten niet worden aangetast. Het Hof was niet positief over de huidige toepassing van het voorzorgsbeginsel.

Rijk en provincies zijn inmiddels overeengekomen om door te gaan met vergunningen verlenen, totdat de Raad van State in 2019 uitspraak doet. Door de gedeputeerde is namens het college aangegeven dat de zitting van de Afdeling in februari 2019 zal worden afgewacht, voordat keuzes zullen worden gemaakt.

Wij stellen u graag de volgende vragen.

1. Kunt u, met inhoudelijke onderbouwing, uiteenzetten waarom het volgens GS nog verantwoord is om met vergunningverlening door te gaan c.q. ontwikkelruimte uit te geven?

2. Kunt u bevestigen dat provincies momenteel geen ruimte hebben om eigen keuzes te maken m.b.t. vergunningverlening onder de PAS? Bent u van mening dat de bestuurlijke consensus tussen Rijk en provincies mogelijk zo bindend is dat opschorting van vergunningverlening juridisch aanvechtbaar zou zijn?

3. Acht u zélf een voorlopige stop op accepteren van meldingen en verlenen van vergunningen op basis van de PAS wenselijk, los van wat bestuurlijk met het IPO en Rijk is overeengekomen? Met andere woorden: zou u in onze provincie het voorzorgsbeginsel willen toepassen om vanaf nu zowel de natuur als de provinciale portemonnee te willen beschermen?

4. Wat is uw inschatting met betrekking tot de financiële en praktische gevolgen voor Groningen als de PAS sneuvelt? Op welke kostenpost kan de provincie dan volgens u rekenen, als zowel de prioritaire projecten als de lopende en aangevraagde vergunningen opgeschort of definitief ontbonden moeten worden?

5. Ziet u nog steeds mogelijkheden voor een programmatische aanpak met de huidige overschrijdingen van de kritische depositiewaarde én de uitspraken van het EhvJ? Zo ja, waar baseert u dat op?

6. De 60% beschikbare ontwikkelruimte uit segment 1 (2015 – 2018) voor vergunningen en meldingen was al binnen een half jaar vergeven. De overige 40% wordt nog niet uitgeven in verband met lopende rechtszaken. Wat zegt bovenstaande volgens u over het functioneren van de PAS? Acht u beleid dat volgens een soort ‘Black Friday’ principe functioneert in het belang van natuur en ondernemers en kunt u dat toelichten?

7. Acht u het verstandig het nog in voorbereiding zijnde Luchthavenbesluit over uitbreiding van GAE, ongewijzigd door te zetten? Zo ja, kunt u dit toelichten? Is de met voorrang toegekende ontwikkelruimte nog wel te verantwoorden gezien de huidige impasse op GAE? Acht u dit project nog steeds van aantoonbaar maatschappelijk belang en kunt u dit belang toelichten?

8. Acht u het nog steeds wenselijk om de industrie in Eemshaven en Delfzijl de voorgenomen ontwikkelruimte te geven, gezien de toename van de depositie op Lieftingsbroek van resp. 0,82mol/ha/jr en 2,36mol/ha/jr, en kunt u dat toelichten?

9. Bent u voornemens om een effectiever bronbeleid te gaan voeren, zodat de gunstige staat van instandhouding van de natuur eerder bereikt gaat worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke extra inspanningen mogen we verwachten?

10. De PAS herstelmaatregelen, zoals afgraven, veranderen waterhuishouding e.d. functioneerden als een garantie dat de instandhoudingsdoelen zouden worden gehaald, ondanks de te hoge stikstofdepositie. Het Hof stelt dat met deze maatregelen geen rekening mag worden gehouden. Deelt u de mening dat deze maatregelen voor de houdbaarheid van de PAS hun functie hebben verloren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dat voor de vergunningverlening en de in uitvoer zijnde herstelmaatregelen?

11. Kunt u aangeven wat volgens u de juridische status is van de activiteiten, die voor de PAS als ‘bestaand gebruik’ onder de autonome ontwikkelingen zijn geschaard? En als deze activiteiten sinds 1992 zijn gewijzigd, is volgens u de houdbaarheid onder de PAS nog gegarandeerd?

12. Wat is uw mening over het feit dat er door het Rijk en enkele andere provincies wel heel ruimhartig wordt gestrooid met onwikkelruimte, terwijl Groningen enigszins de vinger op de knip houdt, maar wel de gevolgen draagt van de verslechterende natuurkwaliteit?

13. Bent u bereid om de Minister op te roepen geen nieuwe ‘trucs’ te bedenken, die in strijd zijn met natuurbeschermingswet en de Europese afspraken daarover? Bent u bereid om bij de Minister en in IPO verband uit te dragen dat een pas op de plaats met allerhande economische ontwikkelingen de enige weg voorwaarts is?

Bij voorbaat dank ik u voor uw antwoord.

Met vriendelijke groet,

Ankie Voerman,

Partij voor de Dieren