Debat over ethische kanten van veeteelt


19 december 2007

Waar gaat het winst maken bij het houden van dieren over een ethische grens?

Een debat tussen Bert Stoop, psycholoog, fractievolger PvdD en webmaster van verschillende websites met als thema dierenrechten, Dirk Strijker, hoogleraar Plattelandsontwikkeling en Frans Brom, bijzonder hoogleraar Ethiek van de Levenswetenschappen (deze leerstoel wordt gefinancierd door LTO Nederland). Debatleider was Hans Harbers, sociaal filosoof.


Bert Stoop hield een inleiding waarin hij verschillende thema’s naar voren bracht. De basis van ethiek ligt voor hem bij het begrip vrijheid, met als uitgangspunt dat iedere handeling die de vrijheid van een levend wezen verkleint, kritisch bekeken moet worden. Erkend door vrijwel alle partijen (zoals boeren en dierenbeschermings¬organisaties) zijn de vijf vrijheden, waar ieder dier in gevangenschap recht op heeft. Het gaat om vrijheid van honger en dorst, van ongemak, ten derde vrijheid van pijn, verwonding en ziekte, vrijheid om normaal gedrag te vertonen en tenslotte, vrijheid van angst en spanning. De laatste twee vrijheden worden zelden gewaarborgd en in ieder geval niet in de intensieve veehouderij. Er is ons land weinig ruimte en als we dieren buiten zouden laten lopen, zou de kostprijs van hun melk en vlees te hoog liggen om op de internationale markt te kunnen concurreren. Twee derde van de Nederlandse productie gaat echter naar het buitenland. Volgens Stoop is de Nederlandse veehouderij een ethische grens overgegaan toen de sector besloot niet meer de voeding van de eigen bevolking, maar de export als doel van de productie te stellen. Hier komt bij dat het benodigde veevoeder, dat Nederland, de VS en Frankrijk nodig hebben voor hun vee, vanuit Derde Wereld landen wordt geïmporteerd en op die wijze ten koste gaat van regenwouden en landbouwgrond die vroeger ten dienste stond van voeding van de eigen bevolking.


Strijker meent dat de vijf vrijheden zoals die door Stoop naar voren zijn gebracht, niet te combineren zijn met intensieve veehouderij. De manier waarop de dieren gehouden worden, wordt niet alleen bepaald door boeren: ook de maatschappij en internationale handelsregels zijn hierop van invloed. De mate waarin dierenwelzijn en winst tegen elkaar worden afgewogen is een maatschappelijke afweging.


Frans Brom denkt dat de kern van de discussie zal draaien om de vraag in hoeverre de vijf vrijheden hetzelfde inhouden als dierenwelzijn. Om aan te geven wat dit inhoudt, is nog niet zo makkelijk. Soms wordt een beroep gedaan op bewustzijn: een varken heeft net zozeer last van een schop als een mens dat heeft en dat legt ons de plicht op het lijden van dieren te minimaliseren. Dit laatste is echter moeilijk in te vullen volgens Brom: keuzevrijheid bij dieren kan leiden tot onverstandige keuzes en het begrip “natuurlijk” is nog moeilijker in te vullen, denk aan het stangbijten van varkens. Alhoewel er wel wat voor te zeggen valt dat de staat dieren zou moeten beschermen, vindt Brom dat het eigenlijk de taak is van de consument om zaken in de veehouderij aan de kaak te stellen. Hij gelooft echter niet in het begrip dierenrechten, deze leggen het aanknopingspunt bij het dier en maken het lastig gelijke dieren (on)gelijk te behandelen: denk aan het vleeskonijn, het wilde konijn, het proefkonijn en het huiskonijn.


Er ontspint zich een discussie rond de juiste terminologie voor het beschermen van dieren. Dierenwelzijn, vrijheden of rechten, of toch het door Stoop verafschuwde intrinsieke waarde? Welk is het makkelijkst te concretiseren? Stoop meent dat dat het beste kan met de voornoemde vijf vrijheden. In de praktijk betekent dit het afschaffen van de bio-industrie voor hem. Voor Strijker ligt de lat wat lager: hij is niet tegen intensieve veeteelt, maar wel tegen de excessen daarvan. Als voorbeeld noemt hij het vervoeren van vee naar Parma onder vaak slechte omstandigheden, zodat het na slachting als Parma-ham verkocht kan worden.


Een vraag uit de zaal luidt waarom mensen zich eigenlijk druk zouden moeten maken om dieren. Stoop meent dat hiervoor geen dwingende rationele of emotionele reden is: het is hetzelfde als waarom je begaan bent met andere mensen, uit welwillendheid. Brom voert verschillende redenen aan: de overeenkomsten tussen mens en dier en het feit dat wij zo’n lange geschiedenis met het dier delen en zijn geworden wie wij zijn in co- evolutie met het dier. Verder is fatsoenlijk omgaan met dieren in vrijwel iedere religie een gebod. Een andere vraag uit de zaal luidt of natuurlijk gedrag bij dieren niet net zo’n verheerlijkt concept is als dat van de nobele wilde. Stoop antwoordt dat natuurlijkheid inderdaad een moeilijk begrip is. Maar dieren de mogelijkheid geven natuurlijk gedrag te vertonen, wat dat dan ook volgens ons mag zijn, zal hun keuzevrijheid sowieso vergroten. Net zoals in de humane moraal zou er geen totaalfundering zijn om dierenrechten op te stoelen: volgens Brom is dat op zich niet zo problematisch. Als we maar bezig zijn met reflectie.


Als Harbers aan het panel vraagt wat zij vinden van het kweken van vlees voor consumptie zonder dat er nog een dier aan te pas komt, spitst de discussie zich uiteindelijk toe op de gevolgen van technologie voor de dierhouderij. Zowel Strijker, Brom als Stoop zien geen bezwaar in gekweekt vlees, maar zien wel een probleem met halffabrikaten. Een wezen met gevoel maar zonder hoofd, noem je dat nog een dier? En is het gelegitimeerd om zo’n wezen te laten lijden?


Harbers vraagt zich tegen het eind van het debat af wat we dan moeten doen, als we geen “moraal van de moraal” hebben. Stoop beschouwt interacties tussen mens en dier vanuit de vijf vrijheden en op basis van respect. Dat houdt in de praktijk een spanningsveld in tussen enerzijds betrokkenheid (liefde) en anderzijds autonomie, het vrijlaten van. Strijker wil de zaken praktisch benaderen: een kip die zo gefokt is dat hij geen veren meer heeft en dan op een heel kleine ruimte zit, gaat hem bijvoorbeeld te ver. Brom denkt dat je soms makkelijk kunt vaststellen of een dier lijdt, maar stelt dat er complexe problemen zijn in de veeteelt. Volgens hem zijn varkens in een varkensflat misschien niet eens zo slecht af, maar is de bijbehorende techniek goed? Als er iets misgaat, gaat het goed mis. Ook het weghalen van het stressgen uit dieren blijkt niet zo simpel als eerst werd aangenomen: spanning blijkt soms toch goed voor ze zijn. Brom meent dat er geen consequente manier is om handelingen met landbouwdieren te beoordelen op goed of kwaad: de enige consistente posities zijn alles doen met dieren of niets doen met dieren. Deze insteek biedt in de praktijk geen handvaten en geeft boeren alle ruimte de ethische grens met betrekking tot het houden van dieren te leggen waar het hen goeddunkt.


De conclusie van het debat luidt dan ook dat er nog veel valt te debatteren over de vraag in hoeverre je winst mag maken op dieren. Biotechnologie zal deze vraag alleen nog maar complexer maken.

De bijdrage van Bert Stoop met als titel "Waar gaat de bio-industrie over een ethische grens?".

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

    Abonneer op de nieuwsbrief