Bijdrage wind­energie


18 december 2013

Voorzitter,

We staan hier voor een ingrijpende keuze. Het lijkt zelfs een onmogelijke keuze. We moeten zo snel mogelijk af van kolen en gas. Een transitie naar hernieuwbare energie is daarom heel hard nodig. Energie uit wind, zon, water bijvoorbeeld. Maar wat ons betreft alleen mits hierbij geen gevaar of ernstige overlast voor mens, dier en landschap gecreëerd wordt.

Voorzitter, ik wil graag positief beginnen. De PvdD vindt het een goede zaak dat er gedacht wordt over een parkfonds en dat participatiemogelijkheden ingesteld worden bij de bouw van windturbineparken. Wij zijn van mening dat dit het draagvlak en acceptatie voor windmolens onder burgers kan vergroten en bovendien ervoor kan zorgen dat krimpregio’s leefbaar blijven. Wel willen we alvast meegeven dat, als het aan ons ligt, uit het parkfonds alleen projecten gefinancierd zouden moeten worden die niet alleen nu, maar ook over de lange termijn een gebied leefbaar houden en bovendien geen ernstige nadelige effecten hebben op mens, dier en milieu.

De Partij voor de Dieren is echter uitermate ontstemd over het voorstel om een afweging van alternatieven bij locatiekeus voor grootschalige windenergie weg te laten in het kader van de Crisis- en Herstelwet. De Crisis- en herstelwet is ons op zich al een doorn in het oog. Deze wet zet regels die milieu, natuur en een leefbare omgeving beschermen buiten spel en beperkt de inspraakmogelijkheden van burgers en organisaties tot een absoluut minimum. Dit is volgens ons niet de oplossing voor het versnellen of het verbeteren van de besluitvorming. Zorgvuldigheid is daarvoor de oplossing. Ziet het college ruimte om de inspraakmogelijkheden te verruimen, bijvoorbeeld door de locatiekeuze buiten de werking van de Crisis en herstelwet te laten vallen?

Voorzitter, zoals al gezegd zijn wij het niet eens met het voorstel van het college, om een zorgvuldige afweging voor alternatieve locaties voor grootschalige opwekking van windenergie achterwege te laten.

De provincie wil op deze wijze voorkomen dat het afwegen van locatiealternatieven leidt tot nieuwe discussie over de aangewezen locaties voor windenergie, waardoor vertraging in het realiseren van de taakstelling kan optreden. Echter ook voor de nieuwe uitbreidingslocaties wordt deze afweging geschrapt. Dit terwijl deze locaties nog niet in beeld waren bij de eerder uitgevoerde afweging van alternatieven.

Voorzitter, het gaat hier niet om een kleine ingreep. Het gaat hier om plannen voor grootschalige opwekking van windenergie die enorme gevolgen hebben voor de omgeving. Ze hebben grote invloed op mens, dier en landschap. Binnen de gebieden die nu aangewezen zijn, vallen kwetsbare, beschermde natuurgebieden, terwijl gebieden daarbuiten bij voorbaat worden uitgesloten. Maar voorzitter, de effecten zouden niet alleen moeten worden getoetst voor natuurgebieden alleen.

Voorzitter, We weten dat windmolens grote gevolgen kunnen hebben voor vogels en vleermuizen. Op zienswijzen reageert het College dat er ‘slechts’ 41 vogels per molen per jaar de genadeklap krijgen van de windmolens in de Eemshaven. Met 81 molens in dat gebied, spreken we dan echter wel van ruim 3600 vogels per jaar! 3600 vogels. Dat is anderhalf keer de gehele zwarte sternpopulatie in Nederland, plus de gehele populaties velduilen en grauwe kiekendieven.

Naast direct dodelijk, werken windmolens voor sommige vogelsoorten ook als vogelverschrikker. Ze hebben geleerd dat ze windmolens beter kunnen ontwijken en vliegen er omheen. Omdat het per soort verschilt hoe een vogel of vleermuis, met een windturbine omgaat, is onderzoek vooraf, bijvoorbeeld in de vorm van een MER niet alleen handig, maar broodnodig.

En dan hebben we het nog niet eens gehad op gevolgen voor mensen. De gevolgen zijn ook hier niet inzichtelijk gemaakt. Geluidsoverlast, zeker ook door Laagfrequent geluid, zou volgens ons ook moeten meewegen bij de locatiekeuze.

Is het college bereid om de effecten van windmolens op mens en dier alsnog vooraf mee te nemen in de besluitvorming voor de locatiekeuzes? Zo ja, op welke wijze?

Voorzitter, Projecten met een dergelijk ingrijpende impact op de leefomgeving zouden met grote zorgvuldigheid behandeld moeten worden. Dat dit meer tijd en moeite kan kosten, is daarbij van ondergeschikt belang. Al deze voorgesteld plannen, en ook toekomstige voorstellen, verdienen een zorgvuldige afweging van locatiealternatieven. Al helemaal wanneer deze plannen direct grenzen aan het Waddengebied, zoals bijvoorbeeld voor de nieuwe uitbreidingslocatie in de Emmapolder het geval is. De Emmapolder, die overigens een belangrijk compensatiegebied is voor de door de kolencentrale verloren gegane natuurwaarden. De Emmapolder, waar vlakbij een megastal voor mestvarkens zal worden gebouwd die de kwaliteit van dit gebied nog veel verder zal verlagen. De Emmapolder, waarover de raad van State enkele jaren geleden al heeft geoordeeld dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat de bouw van 17 windturbines de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantasten. Het is wrang om te constateren dat onze Groninger natuur de dupe is van kolencentrales en intensieve veehouderij, maar dat de nekslag straks misschien wordt toegediend door windmolens.

Voorzitter, doordat het College door de koker van de drie zoekgebieden heeft gekeken naar uitbreidingmogelijkheden, zijn gebieden met wellicht minder nadelige effecten op mens en dier buiten beschouwing gebleven.

Zou het college kunnen aangeven of er andere geschikte locaties zouden zijn? Met andere woorden, hoe oordeelt het college over de projecten en voorstellen buiten de huidige zoekgebieden?

Voorzitter, ik rond af. De PvdD is onder voorwaarden voor windenergie. Een deel van de gevolgen voor mens en dier lijkt te kunnen worden verkleind door technische aanpassingen aan de molens; er zijn bijvoorbeeld aangepaste rotorbladen die minder geluid produceren en lasers die dieren bij de turbines wegjagen. Echter niet alle gevolgen kunnen beperkt worden. Het verminderen van kwaliteit van leefgebieden van mens en dier is niet duidelijk in kaart gebracht en vermoedelijk ook minder makkelijk op te lossen. Voor mensen kan een goede financiële vergoeding soms leiden tot meer draagvlak of acceptatie, voor dieren weten we helemaal niet wat hun zal motiveren om in de nabijheid van windmolens te blijven wonen. Ik herhaal daarom de vraag die ik al stelde aan het begin van mijn betoog: Is het[2] college bereid om de effecten van windmolens op mens en dier alsnog vooraf in kaart te brengen en mee te nemen in de besluitvorming? De Partij voor de Dieren vindt dat noodzakelijk, want zonder inzicht te hebben in directe en indirecte gevolgen van windmolens voor mens en dier, zonder inzicht in mogelijke oplossingen hiervoor en zonder kennis van alternatieve locaties, kunnen wij geen zorgvuldige afweging maken en dan ook niet kunnen instemmen met het voorstel van het college.

Dank u wel.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer